1986 – 9(1)vervolg

VOOR HET ONDERWIJS VAN INDUSTRIËLE ARCHEOLOGIE

Henri DELREE
Ere-divisiedirecteur van Mijnen,
Voorzitter van de Raad van Bestuur van
Museum van het Waalse leven

René LEBOUTTE
Doctor in de geschiedenis
Assistent-conservator van het Museum van het Waalse Leven
Sectie Ijzer- en Kolenmuseum

Samenvatting

Pleidooi voor een onderwijjs in industriële archeologie

Ondanks enkele pioniers, blijft het onderwijs van de industriële archeologie in ons land en een broertje. Dit valt nog meer op wanneer men de aanzienlijke verrassende die Engeland op dit gebied heeft genomen. Het postdoctorale programma Industriële Archeologie is er Instituut voor Industriële Archeologie (IJzeren brug aan de Universiteit van Birmingham) verdient overdacht te worden…

Het is tijd om bij ons, neet alleen een programma van academisch onderwijs van de Industriële Archeologie aan te bidden, maar ook om een onderwijscyclus voor een ruime pubk op te zetten, onder de vorm van een Open Universiteit.

In de eerste plaats gaat het om een diepgaande theoretische reflectie op de aard en plaats van deze jonge discipline binnen de menswetenschappen. Is het omdat deze theoretische reflectie in ons land nog niet voldoende is gerijpt dat de industriële archeologie schittert door haar afwezigheid in universitaire en andere opleidingen? Ongetwijfeld, maar de tijd is gekomen om te beseffen dat een dergelijke leegte in ons nadeel werkt en ons tot arme ouders maakt, vooral ten opzichte van de Angelsaksische landen.

Daarom moeten we hulde brengen aan degenen die in ons land ernaar hebben gestreefd het onderwijs in de industriële archeologie te bevorderen. Professor Jan Dhondt aan de Universiteit Gent, professor Marinette Bruwier aan de Universiteit van Bergen en professor Jacques Stiennon aan de Universiteit van Luik hebben de weg geëffend door industriële archeologie op te nemen in het programma van hun cursussen. Wat de heer Georges Van den Abeelen betreft: zijn conferenties en zijn publicaties hebben een breed publiek kennis laten maken met een discipline die niet beperkt kan blijven tot kleine kringen.

Ondanks deze gelukkige initiatieven blijft industriële archeologie nog steeds een kwestie van ‘on the job’ leren, met vallen en opstaan (wat soms duur is). Tegenwoordig is het een kwestie van beseffen dat de industriële archeologie, als zij er niet in slaagt het noodzakelijke stadium van synthese en structurering te bereiken, als zij er niet in slaagt de verworven kennis over te dragen, haar methoden te ontwikkelen, het risico loopt te verdwijnen.

De bronnen van de industriële archeologie zijn moeilijk te benaderen, de methoden ervan zijn complex en soms ontmoedigend. Daarom lijkt een gedegen methodecursus niet overbodig. Dit is echter niet genoeg. Het is voldoende om het ene of het andere van de honderden Angelsaksische werken te lezen om te beseffen in welke mate de industriële archeologie zich bevindt op het kruispunt van verschillende disciplines op het gebied van geschiedenis (geschiedenis van de techniek, economische en sociale geschiedenis), aardrijkskunde, sociologie, toegepaste wetenschappen, milieuwetenschappen, museologie… Kortom, industriële archeologie vereist een interdisciplinaire aanpak. Het maakt deel uit van een studie naar de materiële cultuur [[Alfons Thijs, Industriële archeologie als tak van de studie van de geschiedenis van de materiële cultuur, enkele theoretische en methodologische overwegingen, in Revue Belge d'Histoire Contemporaine, T. VI, 1975, 1-2, blz. 145-157.

J. Pazdur, De geschiedenis van de materiële cultuur in Polen, In Annalen, economieën, samenlevingen, beschavingen, T. 17, 1962, blz. 75-84. ]]. Het is bovendien deze opvatting van de materiële cultuur die de opkomst en het groeiende succes van industriële ecomusea bepaalt, zoals dat van Creusot of, hier, van Bois-du-Luc [[J. Liébin, De industriële site van Bois-du-Luc, basis van het regionale ecomuseum Centre, In Bois-du-Luc 1685-1985, La Louvière, 1985, blz. 127-129 (het concept van Ecomusée). ]].

Het onderwijs van de industriële archeologie moet in België nog uitgevonden worden. Het moet verder gaan dan het raamwerk, dat zeker essentieel maar te beperkt is, van een eenvoudige initiatie in de elementaire technieken vragenlijst. Het lijkt bij uitstek geschikt om als programma te dienen voor een Open Universiteit die mediabronnen zouden gebruiken om een breed publiek te bereiken.

In dit opzicht is de postdoctorale opleiding industriële archeologie van deInstituut voor Industriële Archeologie verdient reflectie. Dit onderwijsinstituut werd in 1978 opgericht op initiatief van deIronbridge Gorge Museum en Universiteit van Birmingham met het oog op het opleiden van universitair afgestudeerden in industriële archeologie, die niet alleen veldwerk, opgravings- en restauratiecampagnes zouden kunnen leiden, maar ook het behoud en de ontwikkeling van industrieel erfgoed zouden kunnen garanderen. Het programma omvat daarom niet alleen cursussen industriële archeologie, maar ook museologie- en managementcursussen. In de cursussen over de geschiedenis van de industrialisatie en de technologie wordt de nadruk gelegd op de gevolgen van technische innovaties op het milieu enerzijds en op de samenleving anderzijds, zodat economische geschiedenis en sociale en historische geografie geïntegreerd worden met de industriële archeologie. Wat de cursussen methoden en technieken betreft, deze hebben uiteraard betrekking op de vragenlijst, opgravingen en ontruiming van archeologische vindplaatsen, opstellen van plannen en onderzoeken, conservering en restauratie. Ze omvatten ook het gebruik van archieven, iconografische documenten, interviewtechnieken en oral history. Een grote plaats is gereserveerd voor de wetgeving inzake het behoud van monumenten en locaties, de museologie en het beheer van locaties en musea. ten slotte gaat dit programma gepaard met praktisch werk, veldwerk, bezoeken aan industriële locaties. Aan het einde van deze cyclus moet de student een scriptie schrijven. Recent geselecteerde onderwerpen zijn onder meer: "De rol van projecten voor het behoud van industriële locaties in de toeristische sector in Noord-Wales, 1950-1980", "Het behoud en de herbestemming van industriële gebouwen in Telford New Town", "gegevens van verzekeringsmaatschappijen als bronnen voor de industriële geschiedenis" [ [Het Instituut voor Industriële Archeologie. Master- en diplomacursussen, Ironbridge Gorge Museum, Ironbridge, Telford, Shropshire TF8 7AW, VK, ]].

Postdoctorale studie aan het Instituut voor Industriële Archeologie is uiteraard gericht op Britse staatsburgers, maar is ook toegankelijk voor buitenlandse studenten.

Hier is een voorbeeld dat reflectie verdient…

Zoek op de site

Zoekopdracht