RESTAURATIE IN RENOVATIE VAN HET INDUSTRIEEL ARCHEOLOGISCH PATRIMONIUM
Roland WISELS
voorzitter TlCCIH-België
Projectleider-coördinator van het Nationaal Jenevermuseum
Overzicht
Door de puur esthetische aanpak van onze Dienst Monumentenzorg is industrieel archeologisch erfgoed pas zeer recent ontdekt en als monument aangemerkt. Het is vooral in de Angelsaksische wereld dat het erfgoed van industriële gebouwen in het nieuwe monumenten- en terreinbeleid wordt meegenomen. Herverdeling is een van de essentiële elementen om dit erfgoed voor toekomstige generaties veilig te stellen.
In België zou het wenselijk zijn dat de overheid besluit om particulier initiatief een extra motivatie te geven, zodat de cultuurconservatiesector niet langer de enige is die hiermee te maken krijgt, maar dat het hergebruik van industriële goederen de sporen van het initiatief voor het nageslacht helpt behouden. de industriële revolutie.
Zelfs als er wind in de lucht was, was er in de elfde eeuw geen wind als het om monumenten in de landschapsarchitectuur ging. Tot dan toe ging de uitsluitend naar het traditioneel historisch patrimonium terwijl ouderdom, zeldzaamheid en vooral de kunsthistorische bronnen de belangrijkste maatstaven waren om aldan niet tot het behoud ervan te gaan. Vanuit onze fabriek, vanuit onze fabriek, wordt ons industriële en industriële verleden niet ondergedompeld in de criteria die we al voor ogen hebben. Dat werd ondergedompeld in het erfgoed uit de 19e eeuw, wat na de Tweede Wereldoorlog niet meer voldeed aan de nieuwe industriële ontwikkeling, die toen werd geïnduceerd; We hoeven ons er echter geen zorgen over te maken en we weten niet wat we ermee moeten doen, maar we hoeven ons er geen zorgen over te maken. Nieuwe industrieën zijn ontworpen om traditioneel en met de hand te worden opgebouwd; Ingeval van stopzetting van het vorige bedrijf, consequent logischerwijze een kettingreactie met verkrotting van de hele omgeving.
Omwille van de louter estetische benadering, gaat men aan het historisch belang voorbij.
Begrijpelijk is ook de vooringenomenheid van de vorige generatie en vooral de beleidsverantwoordelijken tegenover de industriële panden, voor velen en het stadsbeleid een symbool van pauperisme en arbeidersstrijd.
Dat een Industrieel pand ook de dag van vandaag niet steeds in de stedelijke conservaringspolitiek verleden, werd bewezen te Brugge waar medio 1985 het unieke complex van de oude Gist- en Spiritusfabriek, ondanks heel wat protest en een mondiaal structuurplan, onder de slopershamer viel. Het behoud ervan zou een bewijs zijn geweest “dat Brugge geen sproookjesstad wil zijn” [[Linters A. ea. Industriële Archeologie-Renovaties, Gent 1985. ]].
Toch geeft dat industrieel-archeologisch patrimonium ons een beeld van de ontwikkeling van de industriële maatschappij, waar deze generatie de directe erfgenaam van is, een “achteruitkijkspiegel” voor de derde industriële revolutie.
Tijdens het monumentenjaar 1975 werden voor het eerst vragen gebaarld naar het sociaal-historisch belang van dat onroerend industrieel patrimonium: de oude jeneverstokerij Stellingwerff-Theunissen werd als het eerste fabriekspand als monument beschermd, toen een belangrijk symbool in de strijd om het behou d van het industrieel patrimonium [[ Nier WC Tamera Stichting vzw. mededelingsblad nr. 1 jr. 1 blz. 3-14, Hasselt 1974. ]].
Eerder dan in andere landen was echter in Engeland een beweging op gang gekomen tot behoud van het industriële erfgoed. Inherent aan het feit dat we de waarheid over de situatie al kennen. Dit hergebruik is vooral niet nieuw want tijdens de vroeg-industriële periode in de Franse tijd werden verbeurd vervuilde kerkelijke bezittingen zoals kloosters en abdijen door de nieuwe industriële opgekochte.
Grootschalig als zij waren boden zij voldoende ruimte tot herinrichting als werkplaats de pakhuis[[ Wissels R., Een industrieel-archeologisch museum in Hasselt in Hasselt tussen korrel en borrel Hasselt, 1981, p. 79-84.]].
Vanwege de aard van uw industrieel erfgoed is dit een functie.