De evolutietheorie van Darwin, de sensatie van de 19de eeuw ?

Léo ERRERA, Une leçon élémentaire sur le darwinisme. Bruxelles: Henri Lamertin, 1904, 2de ed., 85 p.

Departement Gedrukte Werken, II 84041 A

In 1876 was Errera (1858-1905) op achttienjarige leeftijd de jongste verdediger van het Darwinisme in het openbaar. Errera, maar ook Massart, onderstreepten het belang van de mutaties in het evolutionaire mechanisme. In deze tweede editie van ’Une leçon élémentaire sur le darwinisme’ werden onderzoeksresultaten van de Nederlandse botanicus Hugo De Vries toegevoegd. Errera onderhield met hem nauwe contacten. Ook om levensbeschouwelijke redenen voelden de Brusselaars zich aangetrokken tot De Vries’ theorie. De evolutionaire opvattingen sloten namelijk de tussenkomst van een mystieke en goddelijke kracht volledig uit.

Errera wist zich in zijn materialistische stellingname niet te onthouden van een rechtstreekse aanval op de kerk. Als inleiding op de Leçon deelt hij de lezer mee dat de evolutiegedachte hoge toppen scheert in de natuur-wetenschappelijke wereld. Het debat dat dien dage gevoerd werd tussen evolutionisten en creationisten zou, net zoals in het verleden, worden beslecht ten nadele van het katholieke geloof. De wetenschappelijke vooruitgang zal volgens hem niet worden tegengehouden door de katholieke kerk ondanks het feit dat de evolutieleer door de meerderheid binnen de kerk wordt veroordeeld. Maar hij geeft ook toe dat er zich intellectuelen onder de katholieken bevinden die zich pro-transformistisch opstellen. Dat kan worden afgeleid uit de betogen in de Société scientifique de Bruxelles waar in 1881 Alphonse Proost, de drijvende kracht achter de Leuvense Ecole supérieure d’agriculture, openlijk sprak over het transformisme en het geloof trachtte te verenigen met het evolutionisme.

Tussen 1880 en 1910 was het evolutionisme een ’mode’ in Belgische wetenschappelijke wereld, wat niet wil zeggen dat er eensgezindheid bestond onder de evolutionisten. Enkele elementen die volgens Raf De Bont meespeelden in de opgang van dit gedachtegoed zijn het wetenschappelijke prestige van de biologie en de grote maatschappelijke uitstraling van de natuurwetenschappen. Dit had tot gevolg dat de evolutietheorie werd gepopulariseerd en zich niet beperkte tot de salongesprekken van enkele vooraanstaande wetenschappers.

Julius Mac LEOD, ‘Het Darwinismus’, in Natura, maandschrift voor Natuurwetenschappen, 1(1883), p.1-34.

Departement Gedrukte Werken, IV 25.458 A

Mac Leod schrijft hier over de invloed die het Darwinisme op de natuurwetenschappen uitoefende in het
openingsnummer van het pas opgerichte Nederlandstalige natuurwetenschappelijke tijdschrift Natura. Mac
Leod was de oprichter en de bezieler van het tijdschrift en zal via dit medium bijdragen tot de popularisering
van het Darwinisme in het Nederlandse taalgebied.

In de zomer van 1883 behoorde hij tot de groep wetenschappers die in het kielzog van Van Beneden,
gezamenlijk naar het maritiem station van Oostende trokken om er morfologisch onderzoek te verrichten. ’De
school van Van Beneden’ had dus zowel Luikse als Gentse aanhangers. Naast Mac Leod, vinden we ook Van
Wambeke, Leboucq en de fysioloog Felix Plateau.

Auteurs zoals Mac Leod zagen het evolutionisme als een middel om het geloof in de vooruitgang en de
verbetering van de mens en samenleving te proclameren.

In Het Darwinismus wil hij komaf maken met het ’valsch’ denkbeeld over de darwinistische theorie. Hij
neemt voorbeelden uit de plantkunde om de theorie toe te lichten en verwijst net zoals Darwin hierbij eerst
naar de kunstmatige teelt om daarna hetzelfde proces duidelijk te maken in de natuurlijke omgeving.

’Voordat we de natuurlijke uitlezing daarmee vergelijken [met de kunstmatige] moeten we meer bepaaldelijk
de aandacht vestigen op de eigenschappen der levende wezens welke bij het verkrijgen van nieuwe soorten
benuttigd worden. Die eigenschappen zijn ten getalle van twee: de erfkracht (heredity) en de
veranderlijkheid (variability).’

Maar Mac Leod’s ideëen over variatie en erfelijkheid zullen rond de eeuwwisseling weinig bijval kennen in
België. Een struikelblok was zijn voorliefde voor het flamingantisme waardoor hij uit wetenschappelijke
kringen werd geweerd, zoals de Académie Royale de Bruxelles. Noodgedwongen moest hij in het buitenland
(Nederland, Engeland) publiceren.

Beeldvorming naar het grote publiek (Engeland, 19de eeuw)

Visualisering in populaire bladen en andere media spelen een niet te verwaarlozen rol in de geschiedenis van de wetenschap. De cartoons en de karikaturen rond Darwin in het negentiende-eeuwse Engeland droegen hoogstwaarschijnlijk bij tot de popularisering van Darwin’s theorieën.
Karikaturisten zoeken naar specifieke visuele elementen die de wetenschapper met zijn theorie vereenzelvigt. Terwijl de aap van in den beginne, kort na de publicatie van On the Origin of Species geassocieerd wordt met de evolutieleer, zal Darwin later, na de publicatie van Descent of Men, zelf het mikpunt van spot worden. Darwin wordt vereenzelvigd met zijn theorie of met de gevolgen van die theorie. Het bleek geen moeilijke opgave om Darwin met enkele karakteristieke lijnen uit te beelden opdat het publiek hem zou herkennen. Zijn baard, grote schedel en zware wenkbrauwen waren algauw een vertrouwelijk beeld. Andere evolutionisten van die tijd, zoals Asa Gray en Wallace, vielen die ‘eer’ niet te beurt. De natuurlijke selectie werd dus altijd exclusief met Darwin geassocieerd.
Naast de aap en de figuur van Darwin zelf, kwamen ook de boom, verwijzend naar de aap en de boom van het leven, en de (circulaire) voorstelling van transformaties binnen de diersoorten als repetitieve elementen voor. Deze elementen werden door het publiek meteen geïdentificeerd met de evolutieleer maar vereenvoudigden tegelijk ook het huzarenwerk van Darwin. Hij liet dit echter niet aan zijn hart komen en wist ook duidelijk van die aandacht te genieten. Hij hield alle (spot)prenten bij en maakte zijn naasten geregeld attent op het verschijnen van een nieuwe cartoon of karikatuur.
Karikaturisten vonden in Darwin en zijn theorie een gemakkelijk doelwit om hun vaak geniale grappen en grollen op af te schieten. Er bestaan meer spotprenten van de figuur Darwin dan foto’s.

Deze tentoonstelling heeft enkele voorbeelden geselecteerd uit het blad PUNCH or The LONDON CHARIVARI en deze worden hier in chronologische volgorde voorgesteld.

John LEECH, ‘The lion of the season. Alarmed Flunkley. Mr. G-g-g-o-o-o-rilla!’, in Punch, vol. LXXX, 25 mai 1861, p. 231.

Departement Gedrukte Werken, R 701

John Leech (1817-1864), tekenaar, karikaturist en illustrator van Ierse komaf werkte voor Punch van 1841 tot 1864 en creëerde meer dan 3000 illustraties. Zijn satirische tekeningen worden gekenmerkt door zwarte humor, overdrijving en vulgariteit en plaatsten hem in de voorlinie van de negentiende-eeuwse grafische satiristen.

Jonathan SMITH, Charles Darwin and Victorian visual culture. Cambridge: University Press, 2006, 349 p.

Departement Gedrukte Werken, 9B 2006 1.531

Charles H. Bennett (1829-1867), die als tekenaar vanaf 1865 voor Punch werkte, gaf toe een flinke kluif aan Darwin’s theorie te hebben gehad. Zijn reeks van twintig prenten, de Development Drawings, dienden om met de Victoriaanse maatschappij en tevens met Darwin’s opvattingen te spotten, hoewel ze ook gelijktijdig aan hem werden opgedragen.

Deze tekeningen lijken op dierenfabeltjes maar zijn omwille van hun onderliggende morele of sociale
commentaar eerder voor volwassenen bedoeld. De Victoriaanse maatschappij wordt er op de korrel genomen
vanwege de zucht naar geld en macht in het aanschijn van respectabiliteit.

Een voorbeeld hiervan is de houtgravure As Thirsty as a Fish gepubliceerd
in the Illustrated Times van 10 oktober 1863. Bennett stak de draak met de
Britse werkman die arbeid, plichtsbesef en vriendschap als een
belemmering ziet voor zijn drankzucht. Het was één van de weinige
kritische prenten over de arbeidersklasse én is een hoogtepunt. Voor het
ongeflatteerde portret van de arbeider maakte Bennett gebruik van typische
elementen uit de evolutietheorie (zoals het trans-formisme).

Het veralgemeende ge-bruik van evolutionaire transformaties in so-ciale
satire toont aan dat deze populaire cartoons verschillende ideolo-gische
interpretaties kunnen geven aan de theorie van Darwin.

John TENNIEL, ‘Dressing for an Oxford Bal masqué. The question is, is man an ape or an angel? Now, I am on the side of the angels’, in Punch, vol. XLVII, 10 décembre 1864, p. 239.

Departement Gedrukte Werken, R 701

Sir John TENNIEL (1820-1914) was werkzaam als illustrator en karikaturist voor Punch tussen 1851 en 1901 en was schilder en aquarellist. Hij refereerde éénmaal naar Darwin als politiek commentator naar aanleiding van de uitspraak van de toenmalige eerste Minister, Benjamin Disraeli voor de Oxford Diocesan Conference van 25 november 1864.

What is the question now placed before society with the glib assurance which to me is most astonishing? That question is this: Is man an ape or an angel? I, my lord, I am on the side of the angels. I repudiate with indignation and abhorrence those new fangled theories.

Edward L. SAMBOURNE, ‘Suggested illustration for Dr. Darwin’s movements and habits of climbing plants’, in Punch, vol. LXIX, 11 december 1875, p. 242.

Departement Gedrukte Werken, R 701

De prenten van de Engelse illustrator Edward Linley Sambourne (1845-1910) ondergingen invloeden van Leech en later van Tenniel maar kenmerken zich voornamelijk door het gebruik van foto’s als ondersteuning van zijn tekeningen.

Sambourne gaf met zijn karikatuur “Suggested illustration for Dr. Darwin’s movements and habits of climbing plants” het ontstaan aan de nog clichés rond de evolutieleer: de link mens-aap. De pijp-rokende en gebaarde Darwin-aap die als het ware in de boomtakken troonde, is een allusie op zijn studie over het ontstaan van de mens, gepaard aan zijn interesse voor klimplanten. Darwin zou vanaf nu met de karakteristieke baard worden afgebeeld.

Sambourne illustreert met deze prent dat de verkeerde interpretaties van Darwin’s theorie in één enkele prent kunnen worden samengebracht door slechts enkele zogezegde absurditeiten uit de evolutieleer te selecteren: de voorstelling van soorten die plotseling kunnen veranderen, van superieure soorten zoals de mens die zich kunnen ontwikkelen uit dieren en van de grote Darwin zelf die ook van de apen afstamt. Darwin was zich van deze ‘vereenvoudiging’ en misinterpretatie terdege bewust en kon er ook meestal om lachen.

Edward L. SAMBOURNE, ‘Man is but a worm’, in Punch, vol. LXXXI, 6 décembre 1881, sans pag.

Departement Gedrukte Werken, R 701

Edward L. SAMBOURNE, ‘Charles Robert Darwin’, in Punch, vol. LXXXII, 22 octobre 1882, p. 190.

Departement Gedrukte Werken, R 701

Volgens Smith beoogden de meeste karikaturisten van het satirische weekblad Punch geen morele
boodschap over te brengen. Sambourne’s prenten met de voorstelling van Darwin en ‘zijn’ wormen vormden
hierop geen uitzondering. De publicatie van ‘The formation of vegetable mould through the action of worms’
(1881) is één van de theorieën van Darwin die het meest tot de verbeelding
spreken. Met dit werk leert Darwin ons dat zelfs de worm, op het eerste zicht
onbenullig en waardeloos, ook zijn nut kan bewijzen. Dankzij de
werkzaamheden van de worm is de oppervlakte van de aarde constant in
beweging en zorgen deze ‘nature’s ploughmen’ voor een waardevolle bijdrage
in de geologische geschiedenis. Het sprak dermate tot de verbeelding van
satirici zoals Sambourne, dat het soms gissen blijft naar de uiteindelijke
betekenis.
Sambourne voegde de aardworm toe aan de voorouders van de mens en
suggereerde hiermee misschien de ontwrichting van religie en politiek ten
gevolge van het Darwinisme.

Volgens de interpretatie van Smith maakt Sambourne met ‘Man is but a worm’ een allusie op de Bijbel (Job
25:6) die de nietigheid en de onwaardigheid van de mens overpeinst.

Het scheppingsverhaal uit de Bijbel wordt op een groteske manier in evolutionaire termen voorgesteld. In
een spiraalbeweging kronkelt de worm uit het woord “Chaos” en sluipt naar een tronende Darwin-God over
kleine spottafereeltjes heen zoals de aap en de dandy met pak en hoed.

Een jaar later maakte hij met ‘Charles Robert Darwin’ een allusie op Hamlet’s
‘politieke worm’ en de macht van wormen: “that a beggar may fish with a worm
that has eaten of a dead king, and eat of a fish that has fed on that worm”. We
moeten het antwoord schuldig blijven welk verband er tussen Darwin en Hamlet
gezocht moet worden.

[1 S.F. HARMER, archivaris/conservator dpt. Zoölogie, British Museum (Natural History), ‘Memorials of Charles Darwin’, in British Museum (Natural History), Special guide, nr. 4, London, 1909.

[2Fixisten verklaren dat soorten niet veranderen of verdwijnen behalve onder invloed van hun omgeving. Zie het Lexikon, p. 45.

[3Waarschijnlijk wordt hier de brief bedoeld van 5 sept 1857, in Vie et correspondance de Charles Darwin, p. 625-633.

[4‘Darwin, Charles Robert’, in Elsevier Encyclopedie, vol. 7.

[5The Times du 21 avril 1882, p. 5.

[6The Times , 21 april 1882, p.5.

[7VAN DYCK (Marie-Claire) & LAMBERT (Dominique), L’Université de Louvain et le Saint-Office, dans Louvain, nr. 177, 2009.

[8 http://www.cofe.anglican.org/darwin...: “Good religion needs good science.”



















info visites 283448

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française