8(1)

Steenkool

Reeds in 1806 was door de gebroeders Castiau de veronderstelling gelanceerd dat het Duitse bekken verbonden was met het Noord-Franse en het
Engelse bekken, doch hun proefboring in de omgeving van Oudenaarde leverde geen succes op.

Omstreeks 1870 formuleerde de Leuvense hoogleraar Guillaume Lambert opnieuw de hypothese van een mogelijke continuïteit van het Duitse kolengebied met het Engelse, doorheen het Vlaamse landsgedeelte. Op basis hiervan, en omdat er aan het einde van de 19de eeuw langzamerhand een onevenwicht tussen vraag en aanbod ontstond als gevolg van de kolenhonger van de staalfabrieken, zou André Dumont proefboringen wagen in de Limburgse Kempen. Ook andere boorploegen, en een aantal Luikse mijnen, zochten rond dezelfde tijd naar nieuwe aders. Na aanvankelijke tegenslagen, zou André Dumont op 1 augustus 1901 een kolenlaag aanboren te As, op een diepte van 541 meter.

Hierdoor ontstond een echte kolen-rush. In januari 1903 waren er reeds een 60-tal dure proefboringen uitgevoerd door allerhande groepen, en waren er reeds een 30-tal concessie-aanvrangen ingediend.

Pas in 1906 werd de eerste concessie toegekend, aan André Dumont, voor het kolenveld van As. Andere concessies aan andere maatschappijen volgden nog datzelfde jaar (nl. « Genck-Sutendael », « Les Liégoies » te Zwartberg, « helchteren » en « Zolder », « Beeringen-Coursel », en de concessies « Ste-Barbe » en « Guillaume Lambert » te Eisden). In 1911 werd de concessie « Houthalen » toegekend, in 1912 deze voor « Winterslag ». De in 1924 toegekende concessie « Oostham-Kwaadmechelen » en deze van « Neeroeteren-Rotem » (vlak na de Tweede Wereldoorlog) werden nooit uitgebaat.

Kort na de toekenning van de concessies werden grote naamloze vennootschappen opgericht, zeven in totaal, die elk één of meer mijngebieden voor hun rekening zouden nemen.

De schachtboringen zouden met grote moeilijkheden verlopen. Het Kempisch kolengebergte is bedekt met zeer moeilijke deklagen, o.m. drijfzanden onder druk van meer dan 60 atmosfeer die tot een diepte van 600 m voorkomen.

Afb. 4. - Aandeel « Charbonnages de Beeringen ».

Hierdoor werd de schachtafdieping een gewaagde onderneming, en moesten nieuwe en experimentele technieken, onder nog nooit beproefde
omstandigheden toegepast worden. Ook de Eerste Wereldoorlog kwam de werken vertragen.

Pas in 1917 kwam de eerste steenkool boven (in Winterslag, waar men met minder zware geologische problemen af te rekenen had). Pas in 1922 ging Beringen, als tweede mijn, in produktie, gevolgd door Eisden (1922-23), Waterschei (1924), Zwartberg (1925), Helchteren-Zolder (1930) en Houthalen (1938).

Buiten hun ekonomisch en sociaal belang, en de invloed die zij hadden op het omgevende landschap, zouden de mijnuitbatingen een belangrijke stempel drukken op de later geplande urbanisatie-vormen in ons land. Zij golden lang als eerste type-voorbeelden van « tuinwijken » : er werden rondom, en door de mijnen, uitgebreide nieuwe woonwijken gebouwd met alle nodige voorzieningen (scholen, kleutertuinen, kerken, sportvelden, tot en met kloosters,...). In 1937 reeds waren in Winterslag 740 woningen gebouwd, in Waterschei 998, in Beringen 930, in Eisen 878 (voor ca. 1200 gezinnen), en in Zwartberg 750. De mijnen van Zolder en Houthalen, die een achterstand op de andere hadden, hadden toen respectievelijk 474 en 30 woningen opgetrokken.

Literatuur

A. Linters, 1979.- Industrieel Erfgoed in Limburg. Sint-Truiden, 148 blz.
B. Van Doorslaer, 1983. - Steenkool in Limburg. Sint-Truiden, 112 blz.

[1
Voir, par exemple, la bibliographie citée dans notre Inventaire analytique, p. II.

[2 Dans la suite de l’exposé, les papyrus sont désignés par les lettres I.A. suivies d’un nombre, qui renvoient aux nos de notre Inventaire analytique.

[3Voir notre article La « collection médicale » d’Antinoopolis, à paraître dans Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik.

[4Le ptérygion se caractérise par un « voile conjonctival triangulaire, tendu de l’angle interne de l’œil à la face antérieure de la cornée, ayant souvent tendance à s’étendre vers le centre de celle-ci » : voir J. Hamburger [préf.], Dictionnaire de médecine, Paris, Flammarion, 1975, p. 616, s.v. ptérygion.

[5Le staphylome se caractérise par une « ectasie ou distension d’une partie de la paroi du globe oculaire » : voir Dict. méd. Flammarion, p. 685, s.v. staphylome.

[6Pour l’inscription, voir K. Sethe, Hier. Urk. der Gr.-Röm. Zeit, Heft 1, n° 22 (Weihinschrift auf dem Granitsockel eines Denkmals der König Ptolemäus Philadelphe) ; G. Dressy, Notes et remarques. Rec. Trav., t. 16 (1894), p. 43 (XCIII).

[7Sur le sanatorium de Deir-el-Bahari, voir C.R. Peers, Greek Graffiti from Der el Bahari and El Kab, dans Journal of Hellenic Studies, 19 (1899), pp. 13-18 ; J.G. Milne, The Sanatorium of Dêr-el-Bahari, dans Journal of Egyptian Archaeology, 1 (1914), pp. 96-98 ; A. Bataille, Améenothes, fils de Hapou à Deir-el-Bahari, dans B.S.F.E., 3(1950), pp. 6-14 ; Les inscriptions grecques du temple de Hatshepsout à Deir-el-Bahari, Le Caire, 1951.

[8Sur les saints Cyr et Jean, voir aussi St Sophon, De Ss. Cyro et Joanne, M. 87, 3, col. 3693 B et 3696 c.

[9Voir notre article La « collection médicale » d’Antinoopolis, cité plus haut.

[10 Voir I.A., pp. IV-V ; 49 ; 75 ; 117 ; 150 ; 176 ; 232 ; 247 ; 345 ; 405. Voir aussi les papyrus magiques repris par K. Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, 2 vol., Leipzig-Berlin, 1928 et 1931.

[11Gal., De anatom. adm., I, 1 (II, 217-218).

[12Rufus, De l’interrog. des malades, 67 et 70 (pp. 216-217 Daremberg - Ruelle).

[13Sur l’histoire de la dissection dans l’antiquité, voir not. L. Edelstein, Die Geschichte der Sektion in der Antike, dans Quell. und Stud. z. Geschichte d. Naturwiss. und d. Medizin, 3, 2 (1932), réédité sous le titre The History of Anatomy in Antiquity, dans Ancient Medicine, Baltimoire, 1967, pp. 247-301 ; F. Kudlien, art. Anatomie, dans R.E., Suppl. 11 (1968), pp. 38-48 ; G. Lloyd, Alcmaeon and the Early History of Dissecion, dans Sudhoffs Archiv, 59, 2 (1975), p. 116.



















info visites 314817

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française