12(2)

DE ZIEKTEVERSCHIJNSELEN VAN DE PEST, WAARGENOMEN TE GEETBETS IN 1629

Jacques MERTENS
Afdelingshoofd, Rijksarchief te Brugge.

Samenvatting

In het oudste register van overlijdens voor Geetbets (Brabant) vinden wij een akte die de beschrijving geeft van de verschijningsvorm en de evolutie van de pest, zoals zij in het begin van de 17de eeuw werd waargenomen. Wij publiceren deze tekst.

Résumé

Dans le plus ancien des registres paroissiaux pour Geetbets (Brabant), nous trouvons un acte de décès, qui fournit la description détaillée de l’apparition et de l’évolution de la peste, telle qu’elle se manifeste aux contemporains du début du 17ème siècle. Nous publions ce texte.

Summary

In the oldest volume of burial registration records for Geetbets (Brabant) we find an act that gives a detailed description of the appearance and evolution of plague, such as it manifested itself to the observer from the beginning of the 17th century. We publish that text.

De pest is een sterk tot de verbeelding sprekende ziekte, de plaag bij uitstek, zoals blijkt uit het Engels waar « plague » pest betekent.

Pas in de negentiende eeuw is de medische wetenschap met de ziekte beter vertrouwd geraakt, toen de pestbacil werd ontdekt en bestudeerd [22].

Het bleek dat de pest eigenlijk een ziekte van knaagdieren is, die door geinfecteerde vlooien wordt overgebracht, vooral van rat op rat, maar ook van rat op mens en van mens op mens. Men is het er nog niet over eens of alleen de vlo bij de ratten voor de overbrenging van de ziekte verantwoordelijk is. Er lijken aanwijzingen te zijn dat ook de vlo bij de mens de ziekte overbrengt [23].

De ziekte komt voor onder verschillende vormen waarvan, naargelang van de wijze waarop de besmetting gebeurde, de builenpest en de longenpest de belangrijkste zijn. De builenpest is gekenmerkt door het zwellen van de lymfeklieren, vooral in de oksels en aan de lies. De incubatietijd duurt ongeveer een week en na twee tot drie dagen sterft de zieke in de meeste gevallen (60 à 90%). Als longenpest wordt de zieke overgezet door het inademen van bacillen die de pestlijders bij het hoesten uitstoten. Longenpest is steeds dodelijk, maar komt minder voor dan builenpest.

Vaak werd de verspreiding van de pest beïnvloed door het rondtrekken van legerbenden. Dit was blijkbaar het geval met de epidemie van 1630 [24]. In onze gewesten lijken de jaren 1629 en 1630 geen opvallend sterftecijfer te kennen. C. Bruneel vermeldt de jaren noch bij de laagte- noch bij de hoogtepunten van sterfte [25] en het is duidelijk dat de pestepidemie in de Nederlanden pas in 1634- 1636 haar hoogtepunt bereikte [26].

Te Geetbets telden wij van 1633 tot en met 1636 meer dan honderdvijftig overlijdens door pest op een totaal van ongeveer 210 overlijdens m.a.w. ruim 70% van de sterfgevallen waren het gevolg van de pest. In 1629 waren er blijkbaar 9 dodelijke pestgevallen. Te Geetbets waren er in normale tijden jaarlijks ongeveer 17 overlijdens. Demografen hebben ons reeds duidelijk inzicht gegeven over de omvang van het aantal slachtoffers van de pest. Deze cijfers komen veelal uit de parochieregisters waar bij het overlijden vaak « obiit peste » genoteerd staat. De beschrijving van de symptomen, de ontwikkeling en de symptomen « post mortem » van de ziekte komen veel minder voor. Bij het verschijnen van de pest te Geetbets in 1629 staat in het oudst bewaarde parochieregister van deze gemeente, in februari 1614 begonnen door pastoor Dieudonné Martens, het ziektebeeld beschreven.

Wij geloven dat deze tekst niet zonder belang is voor de geschiedenis van de geneeskunde en geven hem hier in bijlage, samen met de vertaling ervan, uit.

In deze tekst lijkt ons waard te onderstrepen : het waarnemen van builen in oksels en lies ; het snel verloop van de ziekte met een waarschijnlijke incubatie van een week, duidelijke ziekteverschijnselen na 6 tot 7 dagen en het overlijden ’s avonds van de tweede dag na het optreden ervan.

Als symptomen vallen verder de zwarte urine en het zwarte bloed te noteren ; heelmiddelen als aderlaten of het opleggen van pompoenen blijven zonder baat. Ook worden het verschijnen van de builen en de stank als verschijnselen na overlijden gesignaleerd.

Ten slotte willen wij nog signaleren dat hier ook aan quarantaine werd gedacht (Interdicendum ei esset communitate et similia proferendo alia testabatur satis constenationationem suam).

J. MERTENS

[1 Elkhadem ; Jean Pelseneer ; technologia, Vol. 8, n°2, pp. 46-50,1985.

[2On lui doit la découverte de l’élément francium.

[3 Vol. 4, p. 425 ; P.U.F. 1964

[4. Coll. Marabout Université ; p. 83, 1972.

[5 J. Pelseneer : « La psychologie du savant de génie » (Janus, LI, 1, 1964 ; pp. 62-64).

[6 Histoire des sciences et des savants depuis deux siècles, Genève, 1873 ; 2e édition, 1885.

[7On lui doit la découverte de l’élément francium.

[8J. Pelseneer : « van Velden » (Biographie nationale publiée par l’Académie royale de Belgique, t. 26, 1936-1938, col. 562-567).

[9 De même, son cadet de cinq ans, l’illustre historien des religions Franz Cumont (1868-1947) sera amené à faire une carrière prestigieuse à l’étranger. Il n’est pas hors de propos de rappeler que Maeterlinck figure à l’Index-opera omnia-depuis 1914.

[10 Des travaux d’histoire de l’astronomie, datant de la fin du 19e siècle, ont montré que l’étoile de Bethléem était en réalité, soit une conjonction de planètes, soit une supernova.

[11A l’occasion de la grève des médecins (avril 1964), il a été constaté que le nombre de médecins en Belgique n’était pas connu même de façon approximative.

[12 Les Feuilles d’Automne ; XL.
On se peut s’empêcher de constater ici que les deux Résistances nées spontanément au cours des deux occupations de 1914-1918 et 1940-1944, sont dépourvues de tout caractère intellectuel. Ces deux mouvements, riches souvent de sacrifices sublimes, furent parfois animés par des intellectuels ou des universitaires en vue. Mais, typiquement, ce qui manqua à ces deux Résistances, c’est un visage intellectuel.

[13La population belge ne représente que 0,3% de la population du monde, mais elle assume 3,5% du commerce mondial.

[14 L’IRSIA a consacré aux seules recherches agronomiques 132 millions en 1963 ; 54 centres de recherches agronomiques étaient subsidiés, avec un personnel s’élevant à environ 600 personnes dont 170 diplômés de l’enseignement supérieur.

[15La totalité des crédits pour l’exercice 1963 accordés par l’Etat pour la recherche scientifique s’élevait à 4.539 millions. En outre, le financement de la recherche appliquée est assuré par l’industrie elle-même, qui y consacre plus de 2 milliards.

[16En 1962, les Etats-Unis ont consacré à la recherche 3% du produit national brut, la Grande-Bretagne 2,5%, et la France 1,5% : nouvel exemple de la supériorité scientifique des nations protestantes.

[17L’effectif du corps enseignant de l’université libre de Bruxelles a doublé au cours des 5 dernières années.

[18Quelle est, après plus de 4 siècles, l’utilité du système de Copernic (1543) ou, après un demi-siècle, celle de la relativité générale ?

[19L’accueil si généreux réservé aux étudiants de l’Université libre de Bruxelles après la suspension des cours en 1941, par les autres établissements d’enseignement supérieur et tout particulièrement par l’Université catholique de Louvain, atteste la solidarité du monde intellectuel belge ; l’occupant a contribué à cimenter l’union de nos universités.

[20En 1963, aux yeux du Conseil National de la Politique Scientifique, les orientations privilégiées concernaient les quatre domaines suivants : biologie moléculaire, recherche spatiale, génétique humaine et enzymologie médicale.

[21 Voir J. Pelseneer : « En marge de l’affaire Chasles » (Le Flambeau, 38e ann., 1955, N° 3, pp. 315- 318).

[22H. Van Werveke, De Zwarte Dood in de zuidelijke Nederlanden (1349-1351), Med. KVAWLSK, KI. der Letteren. jg. XII. N°3, 1950, p.4.

[23 The plague reconsidered. A new look at its origins and effects in the 16th. and 17th. Century England, Local Population Studies, Stafford 1977 p. 6- 7. Met hartelijke dank aan collega L. Danhieux die ons zijn exemplaar van deze studie ter beschikking stelde en met wie wij, tot ons profijt, deze bijdrage bespraken. Onze dank gaat oak naar collega H. Coppens die ons de inzage van de oorspronkelijke tekst vergemakkelijkte.

[24
N. Greslou, La peste en Savoie (aux XVIe et XVIIe siècles) Chambéry, 1973, (Mémoires et Documents publiés par la Société d’Histoire et d’Archéologie, tome LXXXV) p. 20 : « Nous pouvons parler comme de celle de 1630 d’une peste « européennne ». Le fléau en effet, entre les années 1628 et 1632, ravagea pratiquement la plus grande partie de l’Europe, cette épidémie restant liée à la guerre de Trente-Ans ».

[25C. Bruneel, La mortalité dans les campagnes : le duché de Brabant aux XVIIe et XVIIIe siècles. Louvain, 1977 - (Université de Louvain. Recueil de travaux d’histoire et de philologie 6e série, fascicule 10 et fasc. 10*, p. 207- 317.

[26 Idem, ibidem, p. 488-497.



















info visites 243478

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française