9(2)

Aristoteles verdeelde het universum in twee goed van elkaar te onderscheiden delen. Het eerste deel strekte zich uit vanaf het middelpunt, dus van uit de aarde, tot de sferen van de maan. Dat was het sub-lunaire of ondermaanse gebied van de vier elementen : aarde, water, lucht en vuur, waar bestendig verandering en vergankelijkheid aanwezig was. Daar boven, dus verder weg van het centrum, had met het zgn. etherische gebied, waarin de hemellichamen bewogen, en dat eeuwig en onveranderlijk was.
In die gedachtengang konden de kometen, die onregelmatig opdoken, schijnbaar willekeurige banen beschreven en bestendig van vorm en uitgestrektheid veranderden, alleen maar behoren tot het ondermaanse. Volgens Aristoteles waren ze niets anders dan condensaties van vurige dampen in de bovenste lagen van de atmosfeer.

Die stelling zou vele eeuwen stand houden. Wel waren er enkele anderen, zoals Seneca, die er naderhand een afwijkende mening op nahielden. Seneca, die leefde in het begin van onze jaartelling, in een tijd toen het nog mogelijk was dat één brein alle gebieden van het menselijke weten kon omvatten, behandelde in zijn Quaestionum naturalium libri VII, de kometen. Hij aanvaardde de thesis van een zekere Apollonius van Mindos (van wie we niets afweten), die de kometen wel onder de hemellichamen classificeerde en ze beschouwde als planeten van een speciale soort, die meestal onzichtbaar bleven omdat ze bewogen in ver uitgestrekte banen.

Maar de autoriteit van Aristoteles zorgde ervoor dat alle afwijkende meningen niet de minste kans maakten, en positieve bewijzen voor het tegendeel zouden nog lang op zich laten wachten.

Plinius de oudere, die zijn weetgierigheid met zijn leven moest bekopen bij de grote uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr., sprak in zijn Naturalis Historia ook over de kometen. Hij zorgde er voor de oudste bekende classificatie naar hun vorm, en beweerde dat kometen hoogstens 80 dagen zichtbaar zijn, maar nooit minder dan 7 dagen.

Ptolemaeus (2e eeuw) heeft in zijn samenvattend handboek van de antieke geocentrische astronomie, de Syntaxis Mathematica (Almagest), noch in zijn bijbel van de astrologie, de Tetrabiblos, de kometen vernoemd, aangezien ze volgens Aristoteles - wiens mening hij volgde - niet tot de hemellichamen behoorden.

Kometen in het volksgeloof

Hoewel kometen in de astrologie eigenlijk geen rol spelen - aangezien de oude inzichten daar blijven voortleven en ze niet eens als hemellichamen worden beschouwd, terwijl ze bovendien zich niet uitsluitend vertonen op het werkterrein van de astrologen : de dierenriem - werden ze toch in het volksgeloof opgenomen als hemelse, door God gezonden, waarschuwingstekens of voorboden van ernstige gebeurtenissen. En omdat bij, of kort na het verschijnen van een komeet altijd ergens een koning op sterven lag, een veldslag werd uitgevochten, een natuurramp zich voordeed of een epidemie de bevolking teisterde, had men geen moeite om de noodlottige invloed of de nefaste getuigenis van kometen aan te tonen.

Maar er waren ook kometen die een betere reputatie genoten, of door sommigen werden genegeerd. Zo geloofden de oude Romeinen dat de komeet, die te zien was in 43 vóór onze jaartelling, de naar de hemel opstijgende ziel was van Julius Caesar, die het jaar voordien was vermoord.

Toen meer dan een eeuw later de zieke keizer Vespasianus, die niet naar de raad van zijn lijfartsen wilde luisteren, op de verschijning van een komeet
werd gewezen, zou hij gezegd hebben dat die « harige ster » hem niet verontrustte, maar veel meer een gevaar betekende voor de koning van de Parthen - waarmee de Romeinen voortdurend overhoop lagen - aangezien deze laatste een stevige haardos bezat en hij zelf kaal was. Dat Vespasianus kort daarop stierf was voor het volk een bewijs te meer voor de rampspoedige betekenis van een komeet.

Op het beroemde, 70-meter lange tapijt van Bayeux, dat zou vervaardigd zijn op bevel van Mathilde, de gemalin van Willem de veroveraar, werd de komeet van 1066 aangebracht, omdat hij Willem zou geleid hebben bij de verovering van Engeland en in de slag bij Hastings, terwijl de Engelse Koning Harold II (die bij Hastings zijn troon en zijn leven verloor) er te zien is als iemand die blijkbaar van de komeet niet veel goeds verwacht.

De komeet van 1301 heeft de Italiaanse kunstschilder Giotto di Bondone daarentegen beroemd gemaakt. Immers het jaar daarop kreeg deze kunstenaar de opdracht een fresco, voorstellende De aanbidding der wijzen, aan te brengen op een muur van de Scrovegnikapel te Padua. De kunstenaar was waarschijnlijk nog zo onder de indruk van de opvallende komeet die hij enkele maanden vroeger had waargenomen, dat de kerstster die hij boven de stal aanbracht de vorm kreeg van een komeet ! Zo ontstond de mening dat de ster die volgens het Matthaeus-evangelie de geboorte van Jezus aankondigde en de wijzen uit het Oosten was voorgegaan, eigenlijk een staartster was. Al heeft men hieromtrent niet de minste zekerheid en al heeft Giotto een gok gewaagd, deze voorstelling verschaft hem in elk geval de eer dat de ruimtesonde, die nu naar de komeet van Halley werd gestuurd, naar hem - Giotto - werd genoemd,

De meest besproken kometenverschijning is ongetwijfeld deze geweest van juni 1456, drie jaar na de verovering van Constantinopel door de Turken en die beschouwd werd als een waarschuwing voor de verdere overrompeling van Europa door de volgelingen van Mohammed. Laplace vertelde in zijn Exposition du système du monde (1796), waarin hij zijn theorie van hel planetenstelsel ontwikkelde, dat bij die bedreiging paus Calixtus III openbare gebeden voorschreef waarin men zowel de komeet als de Turken bezwoer (conjurait) en Arago schreef in de Annuaire pour 1832 dat de verschrikte Calixtus gebeden voorschreef en de komeet en de Turken excommuniceerde, dus in de ban deed ! Sommige auteurs voegden hieraan toe dat de paus bij deze gelegenheid het Angelus invoerde.

[1En 1913, Georges Bigourdan édite un intéressant traité L’astronomie, l’évolution des idées et des méthodes, dans la table alphabétique duquel le mot comète n’est pas repris (non plus que météores, bolides, aérolithes ou étoiles filantes). Halley est cité huit fois sans l’ombre d’une allusion à la comète qui le rendit célèbre. Ceci est d’autant plus plaisant que l’auteur, astronome, rédigeait son travail (copyright en 1911) au moment du retour de 1910, qu’il l’a édité chez Flammarion éditeur et frère de Camille et, qu’en 1927, il compilera une liste de comètes historiques qui fait autorité (Ann. Bur. des Long.). Il existe heureusement une Histoire de l’astronomie de Doublet publiée en 1922 qui consacre plus de place à Halley et rappelle que Voltaire (Epître à Madame du Châtelet), Victor Hugo (La Légende des siècles) et Sully Prudhomme (Epreuves), qui était polytechnicien, célèbrent sa gloire.

[2 Hoefer (Histoire de l’Astronomie, 1873, pp. 461-462) attribue cet évènement à la comète de 1681-1682 en rapportant qu’Halley l’observa « pendant un voyage en France ». Par contre Doublet (op. cit. pp. 334-335) fixe ce voyage en 1680 et écrit : « il se trouvait à mi-route entre Calais et Paris quand il remarqua la fameuse comète de 1680... ». Dans son Histoire de la Science (1965), Pierre Rousseau emprunte aux deux auteurs des fragments difficilement conciliables : « ... 1679... l’année suivante ... une superbe comète apparut... L’astre chevelu passa, puis se perdit dans le rayonnement solaire. Sur ces entrefaites, Halley partit en France en 1682. Il était à mi-route entre Calais et Paris quand il aperçut une autre comète, exactement pareille à la première, mais passée de l’autre côté du Soleil et orientée juste à l’opposite. Si c’était la même ? se demanda-t-il ». Ce ne pouvait être la même. Admirons en passant l’ingénuité du « exactement pareille » tout aussi impossible.

[3 Hortense Lepaute, dont Le Gentil de la Galissière (1725-1792) retour des Indes en 1771, après avoir tenté en vain d’observer les passages de Vénus devant le Soleil les 6 juin 1761 et 9 juin 1769, fit la marraine de l’Hortensia.

[4Selon Doublet, il s’agirait du 3 avril (op. cit. p. 433). Mais J. Sauval (Ciel et Terre, vol. 101, 5-6, 1985, p. 210) précise trente deux jours d’écart. On peut penser qu’il s’agit d’une cocquille typographique (oubli de 1 dans 13).

[5On consultera avec profit l’article de H. Dupuis dans Ciel et Terre, vol. 101, pp. 217-220, 1985 : « 1910 : on se suicide, on fait la fête... mais on est surtout déçu ».

[6D’après A. M. Antoniadi « Idées des anciens sur les comètes » (L’astronomie, 52e année 1938, pp. 311-318, et « Les comètes, considérées en général comme des présages sinistres dans l’histoire » (ibidem, pp. 156-168).

[7IIIème Congrès International d’Histoire des Sciences. Tenu au Portugal du 30 septembre au 6 octobre 1934, sous le haut Patronage de S.E., le Président de la République Portugaise. Actes, Conférences et Communications. Lisboa, 1936 : 9-10.

[8G. Sarton, 1927-1948. - Introduction to the History of Science. I- III . 5 parts. Baltimore. I : 3.

[9ibid., 6.

[10Ibid., 19.

[11G. Sarton, 1952. - A History of Science : Ancient Science Through the Golden Age of Greece. Cambridge : xii.

[12Ibid., xi.

[13A. Koyré, 1966. - Etudes Galiléennes (3 parts, 1935-1939 ; reprinted in one volume), Paris : 11 .

[14See especially P. Duhem, 1913-59. - Le Système du Monde. I-X. Paris.

[15A. Koyré, 1958. - From the Closed World to the Infinite Universe. New York : vi.

[16ibid., v.

[17L. Thorndike, 1923-58. - A History of Magic and Experimental Science. I -VIII. New York.

[18H. Sigerist, 1955-61. - A History of Medicine. I-II . New York.

[19C. Singer, E. J. Holmyard & A.R. Hall, eds., 1954-58, A History of Technology. I-V. New York – London.

[20J. Needham, 1961. - Science and Civilisation in China, I : Introductory Orientations. Cambridge.

[21The first volume published was the second covering the sixteenth and seventeenth centuries. J.R. Partinglon, 1961. - A History of Chemistry. II London.

[22 « I am exceedingly sceptical of any attempt to reach a ’synthesis’ - whatever this term may mean - and I am convinced that specialization is the only basis of sound knowledge. » O. Neugebauer, 1952 & 62. - The Exact Sciences in Antiquity. New York : v-vi.

[23I.B. Cohen, 1957. - Some Recent Books on the History of Science, in Roots of Scientific Thought : A Cultural Perspective, ed. Ph. P. Wiener & A. Noland. New York : 627 -656. Published originally in the Journal of the History of Ideas.

[24M. Clagett, ed., 1962. - Critical Problems in the History of Science : Proceedings of the Institute for the History of Science at the University of Wisconsin, September 1-11, 1957. Madison : vi.

[25
W. Pazel, 1930. - Jo. Bapt. Van Helmont : Einführung in die philosophische Medizin des Barock. Berlin ; 1958. - Paracelsus : An Introduction to Philosophical Medicine in the Era of the Renaissance. Basel-New York ; 1967. - William Harvey’s Biological Ideas : Selected Aspects and Historical Background. Basel-New York.

[26W. Pagel, Autumn, 1945. - The Vindication of Rubbish, in Middlesex Hospital Journal : 1-4.

[27Ibid.

[28W. Pagel, 1967. - : 82.

[29W. Pagel, 1945. - : 4.

[30 F.A.Yates, 1964. - Giordano Bruno and the Hermetic Tradition. Chigago-London-Toronto.

[31F.A. Yates, 1972. - The Rosicrucian Enlightenment. London-Boston.

[32See Ibid., 113, 171-205.

[33R.S. Westfall, 1972. - Newton and the Hermetic Tradition in Science, Medicine and Society in the Renaissance : Essays to honor Walter Pagal .I-II, ed. Allen G. Debus, New York : 183-98.

[34 B.J.T. Dobbs, 1975. - The Foundations of Newton’s Alchemy or « The Hunting of the Greene Lyon », Cambridge- London- New York- Melbourne : 230.

[35P.M. Rattansi, 1973. - Some Evaluations of Reason in Sixteenth and Seventeenth Century Natural Philosophy, in Changing Perspectives in the History of Science : Essays in Honour of Joseph Needham, ed. M. Teich & R. Young, London : 148-166.

[36M. Hesse, Reasons and Evaluation in the History of Science, Ibid., 127-147.

[37T.S. Kuhn, 1968 ; 1979. - History of Science, in International Encyclopedia of the Social Sciences, I-XVIII, ed. D.L Sills. New York : XVI, 75-83.

[38Ibid. 79-81.

[39Ibid. 80.

[40Ibid.

[41T.S. Kuhn, 1962. - The Structure of Scientific Revolutions. Chicago. This book was alo issued as vol. II, number 2 of the International Encyclopedia of Allfied Science published by the University of Chicago Press.

[42As exemples of this literature see the following : B. Barnes, 1982. - T.S. Kuhn and Social Science, New York ; S. Seiler, 1980. - Wissenschaftstheorie in der Ethnologie : zur Kritik u. Weiterführung d. Theorie von Thomas S. Kuhn anhand etnograph. Berlin ; G. Gutting, ed. c. 1980. - Paradigms and Revolutions : Appraisals and Applications of Thomas Kuhn’s Philosophy of Science. Notre Dame.

[43K. Thomas, 1971 ; 1973. - Religion and the Decline of Magic : Studies in Popular Beliefs in Sixteenth - and Seventeenth-Century England. Harmondsworth.

[44C. Hill, 1972 ; 1973. - The World Turned Upside Down : Radical Ideas During the English Revolution. New York : especially 231-246.

[45 M.C. Jacob, 1976. - The Newtonians and the English Revolution 1689-1720. Ithaca : 16- 17.

[46W.J. Broad, History of Science Losing Its Science, in Science 207 January 25, 1980 : 389.

[47P. Wood, September, 1980. – RecentTrends in the History of Science : The dehumanisation of history, in BSHS Newsletter, N° 3 : 19-20.

[48H. Butterfield, 1959, - The History of Science and the Study of History, in Harvard Library Bulletin 13 : 329-347.

[49Ibid. 347.

[50 H. Butterfield, 1952. - The Origins of Modern Science 1300-1800. New York.

[51J.B. Conant, 1960. - History in the Education of Scientists, Harvard Library Bulletin 14 : 315-333.

[52Ibid. 325.

[53This assessment is my own after having taught courses of this genre for four years both at Harvard University and the University of Chicago during the years 1957-1959 and 1961-1963.

[54T.S. Kuhn, 1968 ; 1979 : 81.



















info visites 176550

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française