9(1)

3. Een processie van Echternach ???

Wanneer we de jaarverslagen van openbare diensten, musea en organisaties zouden mogen geloven, dan realiseren ze alle buitengewone dingen ... met een minimum aan kredieten. Tal van teksten maken melding van nieuwe musea en museumafdelingen, nieuwe wetten, decreten en administratieve bepalingen.

Dient men niet in de eerste plaats na te gaan in hoeverre de theorie en de praktijk van mekaar verschillen ?

Musea die zich ternauwernood kunnen instandhouden met BTK’s, DAC’s, tewerkgestelde werklozen, vrijgestelden van stempelcontrole, dienstweigeraars en idealistische vrijwilligers. Instellingen waarvan de begrotingen jaar na jaar inkrimpen, en zéker géén gelijke tred houden met de inflatie. Administratieve bepalingen die een vlot en soepel optreden onmogelijk maken en nood-reddings-operaties quasi-uitsluiten. Wetten en decreten die wel op papier bestaan, maar die nog geen uitvoeringsbesluiten kennen, die nog niet toegepast worden, en waarvoor de kredieten en het personeelskader niet volstaan (het Decreet op het Behoud van het Roerend Cultureel Erfgoed, dat op 15-16 juni 1982 door de Vlaamse Raad goedgekeurd werd, is hiervan een type-voorbeeld). Tegenover de belangrijke inspanningen in het buitenland, zoals het Franse programma dat thans in volle uitbouw is, kan België niets gelijkwaardigs stellen, tenzij...

Ons land is alvast één van de weinige landen die zich op de twijfelachtige eer kunnen beroemen, dat zij één van de eerste industriële musea ter wereld « verloren » lieten gaan...

Inderdaad, in 1828 richtte Willem I in Brussel het « Museum voor Kunst en Volksvlijt » in, dat aan de basis zou liggen van het belangrijke « Musée de l’Industrie ». De oprichting van dit initiatief kwam maar enkele decennia na de instelling van het « Conservatoire National des Arts et Métiers » door de Franse revolutionairen, en dertig jaar voor de opening van het Londense « Science Museum ». In de loop van de 19de eeuw werd, o.l.v. Jobard, uitgebreid in het Brusselse museum geïnvesteerd... doch het « verdween » tijdens de beginjaren van deze eeuw. Ondanks alle pogingen die sedert enkele jaren ondenomen werden, bleven de collectiestukken (op enkele uitzonderingen na) « spoorloos »…

4. Weten we wel hoe rijk we zijn ?

Terwijl het inventariseren van het onroerend industrieel erfgoed in mindere of meerdere mate geïntegreerd wordt in de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed, terwijl her en der pogingen ondernomen worden om het museumbezit van de Belgische cultuurgemeenschappen te inventariseren, wordt het inventariseren van het roerend industrieel en technisch erfgoed grotendeels aan het toeval overgelaten.

Van zodra een voorwerp of document terechtkomt in één of andere officiële instelling, zij het archief of museum, is er nog een kans dat het vroeg of laat opgespoord kan worden via de inventarissen van de instelling. Toch heeft men op dit ogenblik het raden naar welke belangrijke stukken geherbergd worden door plaatselijke heemkundige, historische en volkskundige musea - vooral wanneer deze hun verwervingen tot een grotere actieradius uitstrekken. Ook in kunstmusea, het filmmuseum, en tal van andere (vaak onvermoede) bewaarplaatsen kwamen stukken terecht, die dan meestal niet gecatalogeerd werden
vanuit een vraagstelling die de industrieel-archeoloog zich stelt : probeer in een museum voor schone kunsten maar eens te achterhalen of ze schilderijen of tekeningen bezitten waarop watermolens, of een « hollander » voor de productie van papierpap, afgebeeld staan... De namen van de kunstenaars en de stijlrichtingen zijn vaak belangrijker dan de informatieve waarde van het artistiek document.

Kenmerkend tenslotte, zowel voor voorwerpen als voor documenten, is dat er steeds meer terecht komen in instellingen, bij organisaties, in depots en verzamelingen die er niet specifiek voor bestemd zijn. Tal van musea verzamelden bewust of onbewust vaak waardevolle archiefstukken - doch in vele gevallen vanuit een museaal standpunt (wat niet altijd met archieftechnische vereisten te verzoenen is). We staan er regelmatig van verstomd wat er allemaal berust in de verzamelingen van plaatselijke kringen en verenigingen (of van hun voorzitter) - en jammer genoeg ook van de omstandigheden waarin het er berust !

Het initiatief om een object of document veilig te stellen is op zichzelf een te appreciëren daad ! We moeten echter de moed hebben om te denken aan het vervolg ervan, aan de gevolgen. M.a.w. we moeten er op korte tijd in slagen om de nodige structuren in het leven te roepen, waarbinnen de belangloze inzet van velen zich optimaal en verantwoord kan ontwikkelen. Ook dient aandacht geschonken aan het veiligstellen van de continuïteit van de bewaring, in die gevallen waar verzamelingen bij privaatrechtelijke initiatieven gedeponeerd worden : m.a.w. men moet eraan denken wat er met de collectie gebeurt wanneer de initiatiefnemer overlijdt, of wanneer de vereniging die het initiatief neemt ter ziele gaat...

De vraag dient dus niet alleen te luiden : wat wordt waar bewaard ? Maar de vraag luidt vooral : wat wordt waar, door wie en onder welke omstandigheden bewaard ? Een antwoord zal er maar komen wanneer, gedurende een ruime periode één of een aantal enquêteurs ter plaatse naar een antwoord kunnen zoeken.

Tenslotte zouden wij willen benadrukken dat het inventariseren van bestaande musea en reële collecties misschien niet eens de meest urgente taak is. In principe werden de stukken verzameld met de bedoeling ze veilig te stellen. Ze zijn dus in essentie niet het meest bedreigd. Er is echter nog een onoverzichtelijke massa die berust bij toevallige verzamelaars en brocanteurs, in bedrijven en instellingen, op tal van plaatsen waar de « feeling » voor het belang ervan nog niet echt doorgedrongen zijn. Deze objecten en documenten zijn in principe nog steeds bedreigd. Een overzicht van deze stukken zou een prioriteitenlijst kunnen vastleggen, en tevens de reële omvang van het probleem situeren.

5. In « bescherming » nemen

Wanneer we de snelheid zien waarmee dit erfgoed verdwijnt, dan is het duidelijk dat het snel in bescherming moet genomen worden tegen tal van factoren.

Door een aantal recente decreten, maar ook reeds in de vroegere monumentenwetgeving, bestond in principe een mogelijkheid om machines en installaties wettelijk te beschermen. Het valt echter op dat deze mogelijkheden niet of nauwelijks aangewend werden/worden, of dat de geschikte uitvoeringsbesluiten of administratieve kaders ontbreken.

[1Le règne de la Machine. Rencontre avec l’Archéologie industrielle, Bruxelles, 1975, pp. 36 à 43.

[2Idem, Bruxelles, 1975, p. 168.

[3Voir plus loin J. Liébin, La restauration et la réhabilitation des objets, musées et sites.

[4F. Chantry, Les cents chaufours d’Antoing à Tournai, Tournai, 1979, 320 pages.

[5 Voir J.-P. Ducastelle, Les carrières de Maffle, un site d’archéologie au pays d’Ath, dans Bulletin trimestriel du Crédit communal de Belgique, n°111, janvier 1975, pp. 35 à 47 ; Idem, Archéologie industrielie, dans le patrimoine du pays d’Ath. Un premier bilan, dans Etudes et documents du Cercle royal d’Histoire et d’Archéologie d’Ath et de la région, II, Ath, 1980 pp. 228 à 287.

[6Voir «  Les doigts dans l’engrenage » ou « ceux qui ont fait tourner Tournai », catalogue de l’exposition organisée par la Jeune Chambre économique de Tournai et la Maison de la Culture de Tournai, Tournai, 1977, 124 pages.

[7Compagnie du Canal du Centre, rue des Peupliers, 69 à 7058 Thieu.

[8Liège, 181, 183 pages.

[9Voir aussi la plaquette « Hainaut, terre d’industrie  » publiée par la Fédération du Tourisme du Hainaut 31, Rue des Clercs à Mons, 1983, 95 pages.

[10Voir A. Linters, Industriële Archeologie en Industrieel Erfgoed, dans Extern, IX, (1980), n° 3, pp. 157 a 166 ; Industrieel Erfgoed in Limbourg, 1980, 148 pages.

[11L Administration de la Protection du Patrimoine culturel (Communauté française) a également procédé à la protection de certains sites industriels, comme le charbonnage du Hazard à Cheratte.

[12Cet Inventaire d’archéologie industrielle est consultable aux Archives d’Architecture Moderne, 14 rue Defacqz à 1050 Bruxelles (tel. 02/537.87.45).

[13Ateliers du Bois-du-Luc, rue Saint-Patrice à 7071 Houdeng-Aimeries (La Louvière).

[14A. Thijs, «  Industriële Archeologie » of de « Geschiedenis van de materiële cultuur » ? - ervaringen bij de studie van oude Antwerpse pakhuizen. In : Centrum voor Industriële Archeologie, 1, 2 april 1975, blz. 19-22.

[15Op grond van art. 1 lid 5 van de Archiefwet van 24 juni 1955 kunnen archieven van bijzondere personen of private verenigingen op verzoek van de betrokkenen, naar het Rijksarchief worden overgebracht.

[16H. Coppejans-Desmedt, Gids van de Bedrijfsarchieven bewaard in de openbare depôts van België. Guide des Archives d’Entreprises conservées dans les dépôts publics de la Belgique. Brussel-Bruxelles, 1975 (Ministeries van Nationale Opvoeding en Cultuur - Ministères de l’Education Nationale et de la Culture. Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën - Archives générales du Royaume et Archives de l’Etat dans les Provinces). Voor de aanwinsten van het Rijksarchief sedert 1975, raadplege men de Jaarverslagen van de inrichting.

[17 A. Linters, Het Decreet op de bescherming van het roerend cultureel erfgoed. In : Tijdschrift industrieel erfgoed, 1 ste jg., nr 2, juni 1983, blz. 3-10.

[18W. Bonquet, De Administratie der Registratie en Domeinen en haar archief. Handzame, 1971 (Familia et Patria).

[19Verzameling der Uitvindingsbrevetten (Nijverheidsoctrooien) ; Recueil officiel des marques de fabrique et de commerce déposées en Belgique en conformité de la loi du 1er avril 1879.

[20N. Caulier-Mathy, Les archives de l’Administration des Mines. In : Histoire économique de la Belgique. Traitement des sources et état des questions. Economische Geschiedenis van België. Behandeling van de Bronnen en Problematiek. Actes du Colloque de Bruxelles. Handelingen van het Colloquium te Brussel, 17-19 nov. 1971. Bruxelles-Brussel, 1972, blz. 171-193 (Archives générales du Royaume et Archives de l’Etat dans les Provinces - Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën).

[21Zie voor deze interessante bron, ontstaan vanaf 1824 : Cl. Roose, Het fonds « gevaarlijke en ongezonde gebouwen » : een belangrijke bron voor de industriële archeologie. In : Centrum voor Industriële Archeologie, I, 1 jan. 1975, blz. 11-13. Men raadplege verder de inleidingen van de volgende inventarissen : M. Bourguignon, Inventaire des dossiers concernant les usines et ateliers déposés par l’Administration provinciale du Luxembourg (1831-1954), Brussel, 1964 ; en G. Hansotte, Archives de la province de Liège. Maintenues et permissions d’usines, Brussel 1967 en Dezelfde, Inventaire des archives de la province de Liège. I - Mines, Minières, Carrières : instruction des demandes en concession ou permission ; surveillance et police des exploitations. II- Surveillance des usines établies sur les cours d’eau, Brussel, 1978, de drie laatste inventarissen gepubliceerd door het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën.

[22A. Zoete, De Documenten in omloop bij het Belgisch Kadaster (1835-1975). Brussel, 1979 (Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën. Miscellanea archivistica XXI).

[23J. Van Oosterweyck, Het Archiefwezen in België. Brussel, 1969, blz, 108 (Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten).



















info visites 174201

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française