9(1)

9. Industriële archeologie in België : een te late start !

Het is logisch dat Engeland, het eerste geïndustrialiseerde land ter wereld, aan de basis lag voor de studie en het behoud van het industrieel erfgoed.

Maar, na die evidente constatering dienen we ootmoedig te bekennen dat België, het land dat eens Groot-Brittannië op de voet volgde, één der laatste was om de relicten van nijverheid, techniek en wetenschap als « belangrijk » te accepteren : hetgeen verloren is kan niet meer gevaloriseerd worden, waardoor de ontwikkelingskansen dus parallel met elke sloop afnemen.

Op dit ogenblik is België één der laatste landen ter wereld zonder bv. museumpolitiek op dit vlak, en steekt het zelfs schril af tegen veel landen van de Derde Wereld.

Deze achterstand zal o.i. moeilijk ingelopen worden, tenzij zich op korte termijn een grondige mentaliteits- en beleidswijziging zou voordoen. Inderdaad, intussen doet zich een andere vertragende factor voor. De huidige economische toestand zorgt er niet alleen voor dat een verouderd industrieel apparaat snel wordt afgeschreven, terwijl uit reeksen faillissementen steeds meer historisch materiaal vrijkomt, op een ogenblik dat gelden voor onderzoek, opvang van documenten en objecten, en om de conservatie van sites en gebouwen te verzekeren, niet meer aanwezig zijn. De economische recessie treft de culturele sector in België uitzonderlijk hard, en binnen de culturele sector krijgen de niet-traditionele bedrijvigheden (m.a.w. de nieuwe initiatieven) méér klappen dan de andere.

In andere landen werd een niet onaanzienlijke voorsprong genomen dank zij extensieve investeringen tijdens de « golden sixties ». De infrastructuur is er grotendeels uitgebouwd, en de sneeuwbal is er aan het rollen. In België kan een haperende take-off niet eens de nodige aanloop nemen, laat staan de achterstand bijbenen.

10. Naar een beleidsmatige aanpak

België neemt een unieke plaats in op het vlak van de ontwikkeling van nijverheid, techniek en wetenschap. Toch kan men niet zeggen dat er vanuit het beleid, het onderzoek, en vanuit de verschillende aspecten van de cultuurconservering veel belangstelling bestaat voor dit verleden.

Het cultureel gebeuren vertoont een erg traditioneel patroon, grotendeels gebaseerd op fundamenten en opvattingen van een halve eeuw geleden, met aandacht voor het « ancien régime » , en voor niet-industriële romantische en rustieke beelden.

In het buitenland wordt thans zwaar geïnvesteerd in alle aspecten van de studie, het behoud, en de valorisatie van het industrieel, technisch en wetenschappelijk verleden.

Veelal ligt hieraan een maatschappelijke vraagstelling naar de Derde Industriële Revolutie ten gronde, bv. omdat men aandacht wil vragen voor de typische kenmerken en problemen van een geïndustrialiseerde samenleving, en de rol van nijverheid en techniek bij het ontstaan en oplossen van dergelijke problematiek.

Vanuit het ruime publiek, dat zich tal van vragen stelt over de aard en de achtergronden van de hedendaagse industrieel-technologische en sociaal-economische transitieperiode, bestaat een bijzondere belang- en vraagstelling. Hierop dient door het beleid ingespeeld !

Vanuit het publiek, maar ook vanuit een groep « selecte » geïnteresseerden worden tal van ideeën en suggesties geformuleerd.

« Industriële archeologie » wordt desondanks langzamerhand « populair », misschien weldra zelfs een « modegril ». Men kan slechts hopen dat de veelheid aan suggesties, ideeën en mogelijkheden uitgroeien tot samenwerkingsverbanden, tot een inhoudelijk-verantwoorde uitbouw, gestoeld op de fundamentele kenmerken van de industriële archeologie. Om dit te realiseren moet op de eerste plaats de bereidheid aangekweekt worden tot investeren in deze materie, niet alleen van overheidswege, maar ook en misschien vooral, van diegenen die op de eerste plaats een verantwoordelijkheid dragen voor de industriële ontwikkelingen : industriëlen, werknemers en hun organisaties, iedereen die op dit ogenblik leeft en werkt op de grondvesten van de industriële evolutie.

Onze streken bezitten nog een buitengewoon belangrijk patrimonium.

We moeten het leren kennen, leren waarderen.

Literatuurverwijzing

De meeste van deze standpunten werden verder en uitgebreid gepubliceerd in :

A. Linters, 1982 . –
Industriële Archeologie in Vlaanderen. Status Questionis, krachtlijnen, in :
Ons Industrieel Erfgoed 1. Jaarboek van de Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie. Gent, VVIA, pp. 17-95.
In annex, pp. 89-103 wordt de volledige tekst gegeven van de preambule van The International Committee for the Conservation of the Industrial Heritage (1978).

A. Linters, 1984. –
Industriële Archeologie en Industrieel Erfgoed in Vlaanderen, in : Ons Erfdeel, 3 , mei-juni 1984, pp. 345-358.

[1Le règne de la Machine. Rencontre avec l’Archéologie industrielle, Bruxelles, 1975, pp. 36 à 43.

[2Idem, Bruxelles, 1975, p. 168.

[3Voir plus loin J. Liébin, La restauration et la réhabilitation des objets, musées et sites.

[4F. Chantry, Les cents chaufours d’Antoing à Tournai, Tournai, 1979, 320 pages.

[5 Voir J.-P. Ducastelle, Les carrières de Maffle, un site d’archéologie au pays d’Ath, dans Bulletin trimestriel du Crédit communal de Belgique, n°111, janvier 1975, pp. 35 à 47 ; Idem, Archéologie industrielie, dans le patrimoine du pays d’Ath. Un premier bilan, dans Etudes et documents du Cercle royal d’Histoire et d’Archéologie d’Ath et de la région, II, Ath, 1980 pp. 228 à 287.

[6Voir «  Les doigts dans l’engrenage » ou « ceux qui ont fait tourner Tournai », catalogue de l’exposition organisée par la Jeune Chambre économique de Tournai et la Maison de la Culture de Tournai, Tournai, 1977, 124 pages.

[7Compagnie du Canal du Centre, rue des Peupliers, 69 à 7058 Thieu.

[8Liège, 181, 183 pages.

[9Voir aussi la plaquette « Hainaut, terre d’industrie  » publiée par la Fédération du Tourisme du Hainaut 31, Rue des Clercs à Mons, 1983, 95 pages.

[10Voir A. Linters, Industriële Archeologie en Industrieel Erfgoed, dans Extern, IX, (1980), n° 3, pp. 157 a 166 ; Industrieel Erfgoed in Limbourg, 1980, 148 pages.

[11L Administration de la Protection du Patrimoine culturel (Communauté française) a également procédé à la protection de certains sites industriels, comme le charbonnage du Hazard à Cheratte.

[12Cet Inventaire d’archéologie industrielle est consultable aux Archives d’Architecture Moderne, 14 rue Defacqz à 1050 Bruxelles (tel. 02/537.87.45).

[13Ateliers du Bois-du-Luc, rue Saint-Patrice à 7071 Houdeng-Aimeries (La Louvière).

[14A. Thijs, «  Industriële Archeologie » of de « Geschiedenis van de materiële cultuur » ? - ervaringen bij de studie van oude Antwerpse pakhuizen. In : Centrum voor Industriële Archeologie, 1, 2 april 1975, blz. 19-22.

[15Op grond van art. 1 lid 5 van de Archiefwet van 24 juni 1955 kunnen archieven van bijzondere personen of private verenigingen op verzoek van de betrokkenen, naar het Rijksarchief worden overgebracht.

[16H. Coppejans-Desmedt, Gids van de Bedrijfsarchieven bewaard in de openbare depôts van België. Guide des Archives d’Entreprises conservées dans les dépôts publics de la Belgique. Brussel-Bruxelles, 1975 (Ministeries van Nationale Opvoeding en Cultuur - Ministères de l’Education Nationale et de la Culture. Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën - Archives générales du Royaume et Archives de l’Etat dans les Provinces). Voor de aanwinsten van het Rijksarchief sedert 1975, raadplege men de Jaarverslagen van de inrichting.

[17 A. Linters, Het Decreet op de bescherming van het roerend cultureel erfgoed. In : Tijdschrift industrieel erfgoed, 1 ste jg., nr 2, juni 1983, blz. 3-10.

[18W. Bonquet, De Administratie der Registratie en Domeinen en haar archief. Handzame, 1971 (Familia et Patria).

[19Verzameling der Uitvindingsbrevetten (Nijverheidsoctrooien) ; Recueil officiel des marques de fabrique et de commerce déposées en Belgique en conformité de la loi du 1er avril 1879.

[20N. Caulier-Mathy, Les archives de l’Administration des Mines. In : Histoire économique de la Belgique. Traitement des sources et état des questions. Economische Geschiedenis van België. Behandeling van de Bronnen en Problematiek. Actes du Colloque de Bruxelles. Handelingen van het Colloquium te Brussel, 17-19 nov. 1971. Bruxelles-Brussel, 1972, blz. 171-193 (Archives générales du Royaume et Archives de l’Etat dans les Provinces - Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën).

[21Zie voor deze interessante bron, ontstaan vanaf 1824 : Cl. Roose, Het fonds « gevaarlijke en ongezonde gebouwen » : een belangrijke bron voor de industriële archeologie. In : Centrum voor Industriële Archeologie, I, 1 jan. 1975, blz. 11-13. Men raadplege verder de inleidingen van de volgende inventarissen : M. Bourguignon, Inventaire des dossiers concernant les usines et ateliers déposés par l’Administration provinciale du Luxembourg (1831-1954), Brussel, 1964 ; en G. Hansotte, Archives de la province de Liège. Maintenues et permissions d’usines, Brussel 1967 en Dezelfde, Inventaire des archives de la province de Liège. I - Mines, Minières, Carrières : instruction des demandes en concession ou permission ; surveillance et police des exploitations. II- Surveillance des usines établies sur les cours d’eau, Brussel, 1978, de drie laatste inventarissen gepubliceerd door het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën.

[22A. Zoete, De Documenten in omloop bij het Belgisch Kadaster (1835-1975). Brussel, 1979 (Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën. Miscellanea archivistica XXI).

[23J. Van Oosterweyck, Het Archiefwezen in België. Brussel, 1969, blz, 108 (Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten).



















info visites 221598

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française