8(3)

DE GENORMALISEERDE TERMINOLOGIE IN HET GEREEDSCHAPSONDERZOEK

Johan DAVID
Conservator,
Museum voor de Oudere Technieken, Grimbergen
.

Samenvatting

Om het onderzoek naar de geschiedenis van de technieken te bevorderen, of om de gegevens te automatiseren, is de normalisatie van de terminologie een fundamentele voorwaarde. Zo’n genormaliseerde terminologie opstellen is evenwel moeilijker dan het er op het eerste gezicht uitziet. Auteur ontleedt hier de problemen die rijzen bij het normaliseren van de terminologie van het gereedschap (noodzaak van een inventaris, bepaling, krietiek van de benaming).

Résumé

Que l’on veuille faire progresser la recherche en histoire des techniques, ou que l’on songe à l’automatisation des données, une condition essentielle est la normalisation de la terminologie. La réalisation de terminologies normalisées est toutefois plus difficile qu’elle n’en a l’air. L’auteur examine ici les problèmes posés par la normalisation de la terminologie de l’outillage (nécessité d’un inventaire, définition, critique des dénominations).

Abstract

To try to advance the research in the history of technology or to try to automatize the data, one essential condition must be fulfilled, i.e., the normalization of terminology. The realization of normalized terminologies is, nevertheless, more difficult than it seems to be. The author examines here the problems of the normalization of the terminology of tools.

Stelt hij een inventaris op van een verzameling of van een inboedel, ontleedt hij taalkundig of ikonografisch materiaal, schrijft hij een artikel, iedere vorser weet hoe moeilijk het soms is een benaming te vinden voor de besproken stukken. Juister, hij denkt dat hij het weet, want in feite is « een » benaming volkomen ontoereikend.

Dat probleem van de naamgeving in het gereedschapsonderzoek vormt het ontderwerp van dit artikel.

Probleemstelling

De mens heeft woorden nodig om te redeneren. Aan elk begrip moet hij een naam kunnen geven. Dat veronderstelt dat elk genoemde precies bepaald wordt, anders in naamgeving onmogelijk. Hoe rijker de woordenschat is, en hoe nauwkeuriger het begrip omlijnd werd, hoe gemakkelijker het betoog. Ook als communicatiemiddel zijn woorden noodzakelijk. In een streek of milieu kennen de mensen aan de termen die ze gebruiken, dezelfde betekenis toe, en zo kunnen ze elkaar verstaan.

De gebruikte benamingen zijn evenwel niet overal dezelfde, de aldus aangeduide en de te noemen begrippen evenmin. Woorden zijn bovendien aan een semantische evolutie onderhevig. Wanneer men in een taalgebied de betekenis van een term nagaat, of omgekeerd, de namen van een bepaald begrip opzoekt, stelt men dan ook vast dat er soms een grote verscheidenheid bestaat. Met hetzelfde woord kunnen twee of meer verschillende zaken aangeduid worden ; eenzelfde onderwerp kan verscheidene namen dragen, of geen enkele. Wenst men zich tot b.v. de hele Nederlandstalige gemeenschap te richten, dan zijn er moeilijkheden, en kan het gevaar voor verwarring groot zijn. Om dat te voorkomen, moet men a) het bedoelde begrip nauwkeuring bepalen ; b) de benaming van dat begrip vinden ; c) zekerheid verwerven met betrekking tot de juistheid van de benaming, met andere woorden nagaan of het woord wel precies het bedoelde begrip aanduidt ; d) een benaming gebruiken die ondubbelzinnig is, die één begrip aanduidt ; e) voor één begrip, één enkel woord gebruiken.

De gebruikelijke naslagwerken zijn hier van gering nut. Noch de talrijke verklarende woordenboeken, noch de
« betekeniswoordenboeken » (b.v. Brouwers 1973) of de aanschouwelijke woordenboeken (b.v. Craps 1950) kunnen het probleem oplossen. Een nauwkeurige bepaling van de begrippen ontbreekt vaak. Het vinden van een naam is dikwijls moeilijk. Punten d) en e) worden tenslotte meestal buiten beschouwing gelaten.

[1Pour un historique plus détaillé, on consultera Todhunter (1949), Maistrov (1974) et les nombreux articles de Sheynin parus, pour la plupart, dans la revue Archive for history of exact sciences.

[2Les jeux de hasard constituent des situations « idéales » dans la mesure où l’on peut établir, par l’analyse combinatoire, les probabilités les concernant sans recours à l’expérience. Cette « idéalité » se retrouve par exemple dans l’hypothèse selon laquelle les dés utilisés sont parfaitement homogènes.

[3D’Alembert, le premier, mettra en cause cette notion dans l’article « Croix ou pile » de l’Encyclopédie (en 1754).

[4 (T) apparaît déjà chez A. de Moivre (en 1718) mais plutôt comme une propriété de la probabilité (non définie).

[5Todhunter (1949, p. 73) signale cependant que Leibniz était réticent à l’adopter.

[6On trouvera chez Kneale (1949, pp. 201-214) une étude des différentes tentatives - de Bernoulli à Keynes (1921) en passant par Laplace - de justifier cet usage inverse.

[7Les jeux de hasard constituent bien plus qu’une simple illustration. Ils sont là, à tout instant, utilisés comme exemples, voire même comme modèle, pour la théorie. Dans les pages 1 à 28 (exposé des principes de l’Essai, le jeu de « croix ou pile » est cité aux pages 12, 16, 18, 19, 23, 25 ; le tirage au sort (loterie ou urne) aux pages 7, 9, 15, 19 et 20 ; le jeu de dés n’apparaît qu’en page 13.

[8P désigne ici la probabilité a priori (T).

[9probabilité (E) ici.

[10Comme dans l’exemple cité relatif aux opinions des juges où ni (T) ni (E) ne fournissent immédiatement la probabilité cherchée.



















info visites 225001

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française