8(3)

De resultaten

Ondubbelzinnigheid en eenpaarigheid zijn de doeleinden van een genormaliseerde terminologie. Om ze te bereiken moeten, zoals gezien, verscheidene opzoekingen gebeuren, en dient het document op een handzame wijze ingedeeld te worden. Dat alles heeft tot gevolg dat een terminologie voor het gereedschapsonderzoek veel meer is dan een lexicale bijdrage.

Voor de meeste ambachten bestaat er nog geen volledig overzicht van hun gereedschap. De criteria waardoor de werktuigen onderscheiden worden, werden doorgaans niet bepaald. Een nauwkeurige beschrijving, niet alleen van de vorm maar van al de aspekten, ontbreekt over het algemeen, de precieze betekenis van de woorden die werktuigen aanduiden, werd tot nog toe weinig bestudeerd ; bovendien zijn verscheidene van die termen niet in het Woordenboek van de Nederlandse Taal opgenomen. Dat alles is voor het opstellen van een terminologie onmisbaar. Het bemoeilijkt in hoge mate de verwezenlijking maar heeft ook tot gevolg dat het bestaan van een genormaliseerde terminologie meteen een grote stap vooruit is in het gereedschapsonderzoek.

Door haar indices, morfologische reeksen en beschrijvingen lost een genormaliseerde terminologie nog een ander probleem van het gereedschapsonderzoek op, namelijk de identificatie van de werktuigen.

Dagelijks vindt de vorser voorwerpen die hij helemaal niet kent of waarvan hij enkel weet welke ambachtsman ze gebruikt. Het identificeren ervan is nog altijd een tijdrovend en moeilijk werk, waar het toeval een grote rol in speelt. Men moet tal van technische handboeken en woordenboeken raadplegen, musea bezoeken, vaklui ondervragen, het beeldmateriaal bestuderen enz. om een antwoord te vinden. Ondanks grondige opzoekingen is het resultaat niet altijd bevredigend. De handboeken - voor zover er bestaan, en waarvan er nog geen bibliografie voorhanden is - bespreken veelal enkel de meest gebruikte werktuigen ; bovendien verstrekken ze dikwijls maar schaarse inlichtingen. De woordenboeken verklaren een woord dat bij voorbaat bekend moet zijn. Geen enkel museum bezit een volledige verzameling werktuigen, en op de stamkaarten van de inventaris staat dikwijls weinig of niets zodat het museumeksemplaar voor de onderzoeker nagenoeg nutteloos is. Zelfs de ambachtsman is van weinig nut. Hij kent immers slechts de werktuigen die hij zelf gebruikt, en enkele van de aanverwante vakken. De onderzoeker moet dus reeds min of meer weten waartoe het werktuig dient om de vakman te vinden die hem verder kan helpen. Het stelselmatig ontleden van het beeldmateriaal is eveneens nog maar in een beginfase. Tenslotte zijn de gegevens in de moderne studies over handgereedschap meestal alfabetisch of systematisch gerangschikt, zodat het weervinden van een werktuig een lang werk kan zijn.

Dank zij haar presentatie is een genormaliseerde terminologie een naslagwerk, waarin men de werktuigen kan identificeren als men hetzij hun vorm, hetzij hun bestemming, hetzij hun gebruiker kent.

Besluit

De noodzaak van genormaliseerde terminologieën hoeft (hopelijk) niet beklemtoont te worden.

Door de investarisatie en het definiëren van de werktuigen, en de keuze van de benamingen is de verwezenlijking van zulke terminologieën ingewikkelder dan soms gedacht wordt (o.m. ; wanneer aan automatisering gewerkt wordt). Om dezelfde redenen kan niet zo maar een vertaling van de terminologie gegeven worden.

[1Pour un historique plus détaillé, on consultera Todhunter (1949), Maistrov (1974) et les nombreux articles de Sheynin parus, pour la plupart, dans la revue Archive for history of exact sciences.

[2Les jeux de hasard constituent des situations « idéales » dans la mesure où l’on peut établir, par l’analyse combinatoire, les probabilités les concernant sans recours à l’expérience. Cette « idéalité » se retrouve par exemple dans l’hypothèse selon laquelle les dés utilisés sont parfaitement homogènes.

[3D’Alembert, le premier, mettra en cause cette notion dans l’article « Croix ou pile » de l’Encyclopédie (en 1754).

[4 (T) apparaît déjà chez A. de Moivre (en 1718) mais plutôt comme une propriété de la probabilité (non définie).

[5Todhunter (1949, p. 73) signale cependant que Leibniz était réticent à l’adopter.

[6On trouvera chez Kneale (1949, pp. 201-214) une étude des différentes tentatives - de Bernoulli à Keynes (1921) en passant par Laplace - de justifier cet usage inverse.

[7Les jeux de hasard constituent bien plus qu’une simple illustration. Ils sont là, à tout instant, utilisés comme exemples, voire même comme modèle, pour la théorie. Dans les pages 1 à 28 (exposé des principes de l’Essai, le jeu de « croix ou pile » est cité aux pages 12, 16, 18, 19, 23, 25 ; le tirage au sort (loterie ou urne) aux pages 7, 9, 15, 19 et 20 ; le jeu de dés n’apparaît qu’en page 13.

[8P désigne ici la probabilité a priori (T).

[9probabilité (E) ici.

[10Comme dans l’exemple cité relatif aux opinions des juges où ni (T) ni (E) ne fournissent immédiatement la probabilité cherchée.



















info visites 225002

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française