4(4)


Turnhout, maart 1981.
Demontage door technische ploeg van het Projekt Industrieel Erfgoed.
Stoommachine, N. V. Vanden Kerchove, Gent, ca. 1920.

INDUSTRIELE ARCHEOLOGIE
IN VLAANDEREN
BEGINT ZICH TE ORGANISEREN

Adriaan LINTERS
Licentiaat nieuwste geschiedenis (R. U. Gent)
Coördinator Project Industrieel Erfgoed, Sint-Truiden
Beheerder VVIA, Gent
Lid beheerraad The International Committe
for the Conservation of the Industrial Heritage

Résumé

L’auteur décrit le processus de développement de l’archéologie industrielle dans la région flamande du pays, ainsi que le caractère concerné
et actif de la VVIA (Association flamande d’archéologie industrielle),
créée en 1978.

Abstract

The author describes the development process of industrial archaeology
in the Flemish area of Belgium, and the thereby concerned and interested action of the VVIA (Flemish association of industrial archaeology),
created in 1978.

Toen het in 1974 opgerichte (nationale) Centrum voor Industriële Archeologie - Centre d’Archéologie Industrielle, begin 1976 een roemloos einde kende als gevolg van interne lethargie, betekende dit feit voor
tal van vrijwilligers en beoefenaars van de discipline een ernstige frustratie. Vooral omdat zij voelden hoezeer het nodig was om de respons van
de succesvolle tentoonstelling En Toen Kwam De Machine : kennismaking met de industriële archeologie, die einde 1975 in de Brusselse Passage 44 georganiseerd werd en ruim 82.000 bezoekers trok, in goede
banen te leiden.

Het ontbreken van een efficiënte en aktieve organisatie betekende toen een vertraging van minstens een drietal jaar in de ontwikkeling van de industriële archeologie in Vlaanderen.

Vanaf 1975, het Monumentenjaar, hadden kringen van monumentenzorg echter eveneens de nodige interesse voor het onderwerp
gekregen. Inderdaad, tal van oude fabrieken zijn op zijn minst opvallende
getuigenissen in het stadslandschap, ganse series proletariaatswoningen domineren de stadsontwikkelingen uit de 19de eeuw. Beide waren
attraktieve experimenteerobjekten voor ideeën van « renovatie » of
« adaptive re-use » : men kon er zonder al te grote schade zijn kreativiteit
op botvieren, hun strukturen leenden zich uitstekend tot de (vaak meest)
verregaande ingrepen, en er bestond geen noemenswaardige « inhoudelijke » tegenstand tegen het transformeren van een fabriek tot kultuurtempel, woning, supermarkt, of eender wat - tenminste niet in dezelfde
mate als wanneer men de Akropolis aan eenzelfde behandeling zou willen onderwerpen.

Voeg deze architektuur-creatieve interesse bij een algemene
opleving van een ruime belangstelling voor de 19de eeuw, en de interesse van monumentenzorg is snel verklaard.

Dit resulteerde onmiddellijk in het feit dat industriële relikten opgenomen werden in de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in
Vlaanderen, niet alleen of niet louter omdat zij één of andere belangwekkende architekturale frivoliteit vertoonden. Bedrijven, arbeiderswoningen, stations, bruggen, werden - naarmate de inventarisatie zich verruimde en verdiepte - meer en meer gerepertorieerd omwille van hun typologische, technische, of inherente waarden. De evolutie van deze aanpak is best te volgen wanneer men de verschillende volumina uit de
reeks Bouwen door de Eeuwen Heen (samengesteld door de Rijksdienst
voor Monumenten- en Landschapszorg, en uitgegeven door de Uitg.
Snoeck-Ducaju & Zn, te Gent) achtereenvolgens doorneemt : Halle-Vilvoorde (1975), Antwerpen (eerste deel in 1976, tweede deel in 1979),
Gent (eerste deel in 1976, tweede en derde deel in 1979), arrondissement Aalst (twee delen, beide verschenen in 1978), en het arrondissement Hasselt- St.-Truiden (twee delen, beide verschenen in 1981). In deze volumina vindt men naast trapgevels, barokhuizen, kerken, kloosters en kastelen, steeds meer industrieel-archeologische sites beschreven, waarbij op te merken is dat (in tegenstelling tot de doorsnee-architektuur) vaak een poging gedaan wordt tot grondig historisch onderzoek
en analyses van de (o. m. technische) binnenstrukturen : vooral de twee
laatste delen gewijd aan Gent, en de inventarisatie van de Limburgse
mijnstreken getuigen hiervan.

[1 Ook stravelje, strevalje, enz. (Ghijsen, 1968). De ontlening aan het Frans travail, dat nu nog de
hoefstal aanduidt, is niet jong. Het woord komt reeds voor in het Brugse Livre des métiers van
ca. 1340 : ende zegh den smet dat hi legghe / den perde de brake / eer hij ’tsteke / in de travaille
(Gessler, 1931).

[2 De hoefstal, afkomstig van I. Vermeren, « de smid van Lint » (Grimbergen), staat voorlopig
naast de Tommenmolen.

[3 Radcliff, 1819, plaat 5 en p. 218 : should the horse be extremely vicious indeed, he can be raised
from the ground in a minute, by means of a cradle-sling of strong girth web, hooked to the upper
side-rails, which, with a slight hand-spike, are turned in the blocks that support them (the extremities of the sling thereby coiling round them), till the horse is elevated to the proper height, and
rendered wholly powerless
.

[4 Oxford, Bodl. ms. 264, f° 107 en 124v°. Uitgegeven door M. R. James, The Romance of Alexander, Oxford, 1933.

[5 Parijs, B. N., ms. fr. 12.330 f° 214v°.

[6 Encyclopédie ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers ... mis en ordre et publié par D. Diderot Parijs, 1740-80, s.v. maréchal-ferrant. De verklaring luidt als volgt : 1) Anneau
servant à passer une corde lorsque l’on donne des breuvages aux chevaux. 2) Levier servant à
tourner la barre pour monter les soupentes. 3) Soupentes. 4) Doubles soupentes servant de poitrail
et de reculement pour maintenir le cheval dans le travail. 5) Soupentes servant de même. 6) Barres
de fer appelées main de travail, servant à lever les piés de derrière des chevaux, soit pour les ferrer
ou opérer. 7) Main de devant servant à lever les piés de devant, soit pour les ferrer ou pour les opérer. 8) Coussinet placé en-dedans du travail, de peur que les chevaux ne s’estropient. 9) Anneau
donnant attache aux plates-longes avec lesquelles on lève les pieds des chevaux. Wellicht staat
stuk 1 aan de verkeerde zijde. Het ziet er immers handiger uit het aan de voorkant te bevestigen. Of was het de gewoonte het paard langs beide zijden binnen te laten, zoals de Garsault
(op. cit.) het schrijft : doordat de gaten van dezelfde grootte waren, konden de pennen van de
losse stukken zowel voor- als achteraan in de stijlen gestoken worden.

[7 Domaniaal rentenboek van het land van Dendermonde, ca. 1350, aangehaald door Lindemans
(1952).

[8 Vriendelijk meegedeeld door de heer J. Creasey, bibliothecaris van het Museum of English Rural Life te Reading, die de hoefstal als « betrekkelijk ongewoon » beschouwt. In hun A handbook of horsesshoeing (Edinburgh, 1898) beschrijven J. N. O. A. W. Dollar en A. Wheatley een hoefstal voor runderen. Ze steunen evenwel veel op buitenlandse boeken, zodat hun werk niet als argument aangevoerd kan worden. Ik dank de heer E. Scourfield, conservator van het Welsh Folk
Museum te Cardiff, die me de verwijzing van het boek en fotocopieën bezorgde.



















info visites 168223

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française