4(2)

De tweede bijdrage - ditmaal echt onder boekvorm - is van de hand van de RTBF-journalist Paul Danblon en verscheen in de reeks « 1830-1980 », onder de veelbelovende titel « 150 ans de Sciences ».

Dergelijke tweezijdige probleembenadering, nu eens door de ingenieur als gebruiker van de exacte wetenschappen, dan weer door de journalist die meer open staat voor de menswetenschappen, laat hoogstaande verwachtingen toe.

De uitroeping van de Belgische onafhankelijkheid, valt zeker niet samen met het nulpunt van het wetenschappelijk denken en van de technologische ontwikkeling in onze gewesten.

Beide auteurs hebben bewust of onbewust aangevoeld, dat veel verder moest gepeild worden in het verleden. Alhoewel Prof. ir. Quintyn « 20 eeuwen aanloop tot België 150 » aankondigt, verschilt zijn werkelijk vertrekpunt weinig met dit van Paul Danblon. Eerstgenoemde situeert het halverwege de 15e eeuw, laatstgenoemde nagenoeg een eeuw later. Quintyn onderstreept - terecht - het onschatbaar belang van Gutenberg’s vernieuwende uitvinding : de boekdrukkunst (1454). Het is veelbetekenend, dat onze gewesten nauwelijks enkele decennia later, reeds 23 volwaardige drukkerijen telden. Brabant (met Antwerpen, Brussel en Leuven) neemt er 16 voor zijn rekening, de overige zijn verspreid over Brugge, Gent, Aalst en Oudenaarde. Toonaangevend waren Leuven (met 8), Antwerpen (met 7) en Brugge (met 3 drukkerijen). Het toenmalige Brussel kon slechts op één enkele drukkerij bogen. Dit zou er kunnen op wijzen, dat haar bijdrage tot het intellektuele leven nog niet zo belangrijk was.

Wij kunnen het standpunt van Prof. Quintyn bijtreden. Zou de wetenschap een even snelle verspreiding en evolutie (of was het een revolutie ?) gekend hebben, zonder het bestaan van het gedrukte boek ? Het verbaast ons, dat de journalist Danblon - voor wie het gedrukte woord een werkinstrument is - zonder meer voorbijging aan deze wereldveranderende historische gebeurtenis. Ook ontbreekt bij hem de vermelding van de rampzalige exodus van de Zuidnederlandse intelligentia, als gevolg van de verlammende godsdienstoorlogen. Nochtans hebben al deze gebeurtenissen hun stempel gedrukt op de verdere ontwikkeling (of tijdelijke afbouw) van het wetenschappelijk denken in ons gedeelte van de Lage Landen. Het blijft een raadsel, waarom Danblon zijn betoog pas aanvat met de werkzaamheden van de medicus Vesalius († 1564).

Geen van beide auteurs is er blijkbaar in geslaagd, sporen van echt wetenschappelijk denken te ontwaren in de vele eeuwen die aan het vertrekpunt van hun betoog zijn voorafgegaan. Bijzonder spijtig is, dat geen van beiden uitsluitsel heeft gebracht omtrent de vraag, of onze gewesten gedurende die lange periode, al dan niet van ieder vermeldenswaardig intellektueel creëren gespeend zijn gebleven. Zou het niet kunnen, dat de toenmalige intelligentia - minder individualistisch ingesteld zijnde - geen bezwaren had tegen anonimiteit ? Wij achten het weinig waarschijnlijk dat een volk, dat bij machte is hoge toppen te scheren o.m. op het stuk van de grafische kunsten en de bouwkunde, tezelfdertijd vleugellam zou blijven in al de andere domeinen van het Denken.

Verder mag de wetenschapsmens - zowel de denker als de practicus - nooit losgedacht worden van de maatschappij waarin hij evolueert. Zijn ware betekenis spiegelt zich af tegen een achtergrond
van kulturele, politieke, sociale en ekonomische gebeurtenissen (die niet zelden aan de grondslag liggen van zijn werkzaamheden). Hier bleef de journalist Danblon helaas in gebreke, terwijl de ingenieur Quintyn meer oog had voor de volledige historische kontekst. Is het omwille van dergelijke verschillen in de aangewende werkmethodes, dat figuren met wereldfaam (zoals Leo Baekeland en Lieven Gevaert) wel bij Quintyn, maar niet bij Danblon terug te vinden zijn ? Dit hiaat in het werk van Danblon, wordt nog beklemtoond door de bijkomende beperking die hij zich (bewust of onbewust) heeft opgelegd : het beschouwen van de wetenschap, als zijnde uitsluitend de denkwereld van de fysicus, chemicus, bioloog of medicus. De belangrijke tak van de ingenieurswetenschappen, komt bij hem zo goed als niet aan bod. Door het voorstellen van de wetenschap als een alleenrecht van de academici, ontstaat voor de leek een scheefgetrokken beeld van de werkelijkheid.

[1 prodrome d’une notice qui paraîtra dans la Biographie nationale de Belgique (NDLR).

[2 Lire, sur la question de l’urgence de publier, l’article de Gaston (1972) dans La Recherche.

[3 Les techniques sont des modes d’appropriation du monde : le ciel est à qui sait voler (de Beauvoir, 1944.)

[4 Les questions de vocabulaire se compliquent encore (à moins qu’elles ne s’éclaircissent) quand on prend en considération les usages anglo-saxons. Il est indéniable que l’usage actuel, en français,
du mot technologie vient partiellement d’une contamination par l’anglais (Saint-Sernin, 1976).

[5 C’est la définition de l’homme que l’on trouve chez Jean Rostand (1954), qui précise : petit-fils de poisson, arrière-neveu de limace, bête saugrenue qui devait inventer le calcul intégral et rêver de justice.

[6 L’expression se trouve chez Bachelard, et s’adresse plutôt à la science. C’est que le mot appliqué n’est pas, dans l’épistémologie de l’Ecole française, utilisé dans sa pleine acception.

[7 Désirs. Ce mot, qu’il est impossible de ne pas rapprocher du mot péché, nous éclaire sur la suspicion ou le mépris qui s’attachent à la technique dans certaines cultures. Voir Tovmassian, 1976,
qui analyse l’attitude « idéaliste-bourgeoise » face au travail, sans aller à l’essentiel, étant prisonnier d’un système de pensée qui n’incite guère à la réflexion personnelle ; voir aussi Auzias, 1964, plus
subtil.

[8Et autres spécialistes de formation à dominante juridique et littéraire : sociologues, économistes.

[9 Quand il existe. Il n’y en a pas, nous l’avons déjà dit, du moins de jure (c’est-à-dire avec grade et diplôme) en Belgique. D’autres pays, où le nombre d’établissements de niveau
universitaire par km² est moins élevé que chez nous, en produisent d’excellents. L’hybridation est délicate. Je ne sais plus qui disait que la médiocrité de la science des philosophes n’a
d’égale que l’inanité de la philosophie des savants. Un autre disait que l’historien des techniques parle d’histoire avec les techniciens et de technologie avec les historiens, ce qui est fort
confortable.

[10 Il faudrait étudier l’association d’idées « technologie-machine », qui révèle une conception singulièrement rétrécie (et erronée) de la technologie.

[11 Il faut aussi prendre en considération les territoires : archéologie américaine pré-colombienne, extrême-orientale, etc. Cela a son importance pour l’archéologie industrielle : est-ce uniquement de l’Occident qu’il s’agit ?

[12 Pour la position épistémologique de l’archéologie industrielle et de l’archéologie contemporaine, nous nous permettons de renvoyer à notre article : Baudet, 1979.

[13 Pendant plus de 11 ans, j’ai exercé la fonction de dessinateur d’études à ladite société ; j’y étais également délégué syndical et membre de la commission de sécurité et d’hygiène.

[14Cet historique complètera les travaux déjà publiés sur les laminoirs de la région :
Hansotte, 1955 ; Hansotte et Hennau, 1979.

[15Hier moet onderstreept worden, dat Prof. ir. Quintyn de uitgever is van het tijdschrift Sartonia, gewijd aan de geschiedenis van de wetenschap en techniek. Sartonia en Technologia zijn de enige Belgische tijdschriften die zich met deze discipline inlaten.



















info visites 217326

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française